Bontmantels in de zomer. Een pleidooi voor grondige heravormingen, 1898In overweging nemend dat de vreemde mogendheden hun blikken richten op ons land, kom ik tot de conclusie dat wij op het punt staan verdeeld te worden. Ik veroorloof mij U te zeggen dat in deze eeuw, die overal concurrentie kent, de oude methodes moeten worden afgeschaft; want op dit ogenblik zijn ze even nutteloos als bontmantels in de zomer.
Men heeft al te veel eerbied voor onze voorouders en hun instellingen; men miskent hun gebreken en men handelt zeer onjuist als men hen blindelings navolgt zonder rekening te houden met de tekortkomingen die zich steeds in steeds erger mate hebben opgestapeld in de loop van de jaren, geslacht na geslacht, eeuw na eeuw. De politiek van onze voorvaderen, geschikt om de orde in het binnenland en de onafhankelijkheid tegenover de invallers te handhaven, verschilt grondig van de huidige politiek die ons naar de ondergang leidt. Thans ontbreken ons officieren, soldaten, munitie, wapens en schepen. Ons land heeft wel een naam, maar heeft slechts spoorwegen, een koopvaardijvloot, banken die aan vreemdelingen toebehoren. Al mogen wij in schijn bestaan, in werkelijkheid bestaan wij niet meer. Demey, J., P.A.M. Geurts, H.E. de Wolff,
Geschiedenis in documenten. Amsterdam, 1971, p. 185
|