Alwin Goossens over de verschillen tussen het Europees en Chinees krijgsbedrijf, 1901

De Chinezen hadden een lange gracht gegraven en daarin 100 kanonnen verborgen. Dat was een krijgskundige slimmigheid, waarvan zij alle goeds verwachtten en bij voorbaat maakten de soldaten zich reeds vrolijk bij de gedachte van de nederlaag die de verbonden mogendheden aldaar onvermijdelijk te wachten stond. De keurbenden van het leger lagen nu daar dag en nacht op de uitkijk, en met geladen kanonnen in afwachting, als zij op een onverwachte keer worden aangevallen, niet van voren, zoals zij berekend hadden, maar van achter en terzijde. Mijn zegsman was nog steeds in de grootste verontwaardiging over het verraderlijke van die aanval, - een aanval van achter, terwijl men slechts zich van voren verschanst had! - Foei Europa! De Chinezen sprongen over hun verschansingen heen en kregen het vuur van die 100 kanonnen, hunner eigen kanonnen in de rug; want de Europeanen hadden zich aanstonds in hun loopgraven geworpen en al de daar aanwezige en nog immer geladen stukken afgevuurd op de vluchtende Chinezen. Een nieuwe laagheid!

Goossens, Alwin, Brieven uit Oost-Mongolië. Bezorgd door Wilbert Voets. Amsterdam - Antwerpen, 1993. p. 48


terug