De keizerin-weduwe keert terug naar Peking |
|
Na een offerfeest voor de God van de Oorlog, de beschermer van de Mandsjoe-dynastie, waren de wagens langzaam naar het Oosten gereden. Onderweg werd de 66ste verjaardag van de vorstin gevierd. Zij zag er nog jong uit, met haar gitzwart haar, in haar gewaad van gele zijde, zwaar van goudborduursel. Ruim 40 jaar had zij het land met vaste hand bestuurd, zonder er evenwel in te slagen het verval van het rijk en het binnendringen der "barbaren" te stuiten. Heimelijk had ze de Boksers, onder leiding van prins Tuan, aangemoedigd hun religieus en nationalistisch fanatisme tegen de vreemdelingen in de strijd te gooien. Zij had de wijze raad van haar oude raadsman Li-Hung-tsjiang in de wind geslagen: "Stenen zijn sterker dan eieren." De wapens van de "barbaren" zouden immers hun overwicht behouden. Verwoesting bedreigde de hoofdstad van het Hemelse Rijk. Het was volgens Li-Hung-tsjiang te voorzien geweest, dat men niet moet proberen met een of ander projectiel een rat dood te gooien die tussen kostbaar porselein door loopt. In het belang van het Rijk de barbaren vriendelijk tegemoetkomend, hadden de Chinese onderhandelaren deemoedig berouw betoond. De keizerin-weduwe kondigde strenge straffen aan voor degenen, die het hadden geprobeerd de goede verstandhouding met het buitenland te verstoren. Haar sympathie voor de Boksers moest zwichten voor de politieke noodzakelijkheid een streng gebaar te maken: Prins Tuan werd verbannen, enige van zijn medewerkers werden onthoofd. Bij wijze van gratie mochten enkelen zelfmoord plegen. De vertegenwoordigers van de buitenlandse mogendheden lieten zich door Li-Hung-tsjiang overtuigen, dat de terugkeer van de keizerin-weduwe naar Peking wenselijk was. En daarom was zij nu op weg naar de aloude hoofdstad van het keizerrijk. |