Alwin Goossens over de gevangenneming en dood van pater Segers, juli 1900

De 12e Juli des avonds ondernam pater Segers de vlucht noordwaarts naar pater Desmet. [...] Een amfioen-schuiver [opiumgebruiker, MK] [...] zou de vlucht verraden hebben aan de burgemeester der streek, die met 12 man de vluchtelingen achtervolgde en op 6 uren afstand van de kerk inhaalde. De beide christenen haalden de geweren over, om hun vervolgens neer te schieten, doch pater Segers verbood elke daad van geweld en gelastte hun zich weg te bergen tussen het kreupelhout der ruigbegroeide berghelling. Pater Segers was waarschijnlijk beducht, dat het gerucht de bewoners der omliggende plaatsen uit hun slaap wekken zou en zij zodoende een nog groter aantal vervolgers achter de hielen zouden krijgen. Mogelijk ook dat de weekheid, de gevoeligheid van zijn priesterhart niet heen kon over een manslag, zij het dan ook uit noodweer. Al heel gauw werden pater Segers en één der christenen gevonden; de andere christen kon onopgemerkt ontsnappen. Pater Segers wilde nog gaan lopen, toen hij gewond werd door een steenworp aan het hoofd en hij voorover viel. Aanstonds werd hij gebonden aan handen en voeten en door 2 man aan een draagstok gedragen naar een naburige pagode, alwaar men hem liet liggen tot de volgende morgen. [...]

De 21e Juli werd deze, nog immer geboeid, op een kar overgebracht naar het mandarinaat van Loan-phing-sien en gesteld in handen van dien aarts-schurk Wunn-ts'ing. Wat deze met onze martelaar nog aanving is ons tot nu toe onbekend, want geen christen werd bij hem toegelaten; dat hij evenwel erg mishandeld werd blijkt hieruit, dat de gansche rug één wond was zonder één gave plek, zoals na zijn dood bevonden werd. [...]

Inmiddels toch waren anderen reeds bezig met het delven van een graf aan de boord der rivier Loan-ho, die stroomt op 10 minuten afstand van het mandarinaat. Bij dat open graf aangekomen, werd pater Segers ontkleed; hij wilde nog spreken, maar de een wrong hem de keel dicht, een ander gaf hem een sabelhouw op het voorhoofd, en de overigen wierpen hem, levend nog, in het graf, dat aanstonds met zand gevuld werd. Na een poos wachten, toen men kon vermoeden dat de dood gansch was ingetreden, werd het lijk weerom ontgraven en in de rivier geworpen. Den anderen morgen vonden de christenen van Hemelsbrug, een dorp drie uur afstand stroomafwaarts der stad, het lijk van hun priester gespoeld tegen de rivierkant; zij namen het op, waschten, reinigden en begroeven het. De mandarijn evenwel zond zodra hij hiervan kennis had bekomen, mannen, die het lijk wederom opgroeven en in de rivier wierpen.


terug