Ongeveer zeventig procent van hen bestond uit arme, jonge
boeren. De rest was een gevarieerde mengeling van allerlei reizend volk en
handwerkslieden: marskramers, riksjalopers, draagstoeldragers,
kanaalschippers, leerbewerkers, messenslijpers en barbiers; er waren ook
voormalige soldaten en zoutsmokkelaars bij. Hun gelederen werden aangevuld
met vrouwelijke groepen Boksers, waarvan de voornaamste 'Stralende Rode
Lantaarns' heette en werd gevormd door meisjes en vrouwen van tussen
twaalf en achttien jaar, op wier vrouwelijke krachten een beroep werd
gedaan om de 'bezoedeling' door Chinese christelijke vrouwen tegen te
gaan, die naar men meende de kracht van de mannelijke Boksers aantastte.
De bekendste van deze vrouwen was 'Lotus' Huang, een dochter van een arme
schipper en een voormalige prostituée, wie men unieke spirituele
vermogens toedichtte. Andere vrouwen werden samengevoegd tot ploegen, de
zogeheten Lantaarns van de Kookpot, die Boksertroepen te eten gaven uit
potten die naar beweerd werd na elke maaltijd door toverkracht werden
bijgevuld
|