China en de politiek van de "vrije hand"

Natuurlijk traden de onderlinge belangentegenstellingen tussen de mogendheden onmiddellijk weer aan den dag, toen het gevaar geweken was. De Russen hadden, toen ook in Mandsjoerije een actie der Boksers merkbaar werd, sleutelposities in dat land bezet. Het was duidelijk, dat zij die goedschiks niet meer zou ontruimen, ook al betoonden zij tegenover het eigenlijke China nog zoveel geschiktheid, nu de overwinning behaald was. Dat laatste tot grote wanhoop van den Duitsen keizer, wiens ijdelheid niet gerust had, voordat er een Duits opperbevelhebber - de "Weltmarschall" Von Waldersee - benoemd was: maar toen deze in Oost-Azië arriveerde, was er niets meer te redderen. Zou China in invloedssferen verdeeld worden, of zouden de mogendheden vasthouden aan de "open-deur-politiek" en dus aan de integriteit van het Hemelse rijk? [...]

Op 16 October 1900 wist Westminster een contract met Berlijn te sluiten, dat verkeerdelijk de "Jang-tse-overeenkomst" heet. Er werd bij afgesproken, dat men de open-deur-politiek zou handhaven overal in China, "waar men invloed uitoefende" en dat men zou samenwerken indien anderen voor zich bijzondere voorrechten zouden opeisen. Dat was niet precies wat de Britten begeerden, want het was hun bekend, dat Von Bülow niet zover wilde gaan, dat Duitsland samen met Engeland en Japan tegen de Russische occupatie van Mandsjoerije front zou maken. Maar zij bereikten er tenminste mee, dat Duitsland niet zoals te voren met de mogendheden van het Tweevoudig Verbond samenwerkte en dat was al veel [...].


terug