|
De christenen hadden een intolerante ijver, dreigden met eeuwige
folteringen, banden duivels uit met ontzagwekkende ceremonie, leefden een
vroom en afgezonderd bestaan waarvan de tekortkomingen of liever gezegd
dwalingen, uit een overdaad aan deugdzaamheid voortkwamen, en schiepen een
kerkorganisatie waarin men een positie van gezag en autoriteit kon
verwerven. [...] Bovendien, [...] had de menselijke rede [...] omstreeks
de derde eeuw reeds een gemakkelijke overwinning behaald op de dwaasheid
van het heidendom. [...] De teloorgang van de oude vooroordelen stelde een
groot deel van het menselijk ras bloot aan het gevaar van een pijnlijke en
troosteloze situatie [...] De mensen waren bijna bevrijd van hun
kunstmatige vooroordelen, maar even ontvankelijk voor en begerig naar een
devote toewijding. [...] In plaats van met verbazing de snelle opkomst van
het christendom gade te slaan, zullen diegenen die misschien geneigd zijn
op deze gedachte voort te borduren, zich er wellicht over verbazen dat het
christendom niet veel sneller succes heeft gekregen en geen grotere
verbreiding heeft gekend.
uit: Manen, v. I. (e.a.), Historia. Geschiedenis
& Staatsinrichting voor de bovenbouw HAVO-VWO. Werkboek VWO.
Amsterdam, 1994. p. 20. |