‘Het is mijn gewoonte, Heer, alle problemen waar ik niet uit kom, aan
u voor te leggen. Want wie kan mij beter dan u goede raad geven?
Ik weet niet wanneer christenen gestraft moeten worden en hoe zwaar die
straffen moeten zijn. Ook heb ik mij ernstig afgevraagd of ik in bepaalde
gevallen onderscheid moet maken. Moet ik rekening houden met de leeftijd,
of moeten jeugdigen gelijkgesteld worden met volwassenen? Moet ik
christenen die berouw tonen, genade schenken? Moet ik mensen straffen,
alleen omdat ze christenen zijn, of vanwege de misdrijven die ze begaan?
Voorlopig heb ik tegenover de christenen die bij mij werden
aangebracht, het volgende gedaan. Ik heb hun gevraagd of ze christenen
waren. Als ze dat toegaven, heb ik hun onder bedreiging met de doodstraf,
een tweede en zelfs een derde maal dezelfde vraag gesteld. Wie ja bleef
zeggen, heb ik laten terechtstellen. Ik vond namelijk dat halsstarrigheid
zonder meer moest worden bestraft, afgezien van de inhoud van hun geloof.
Romeinse burgers die zich even dwaas aanstelden, heb ik op de lijst gezet
voor transport naar Rome.
Door mijn onderzoek nam het aantal gevallen toe. Ik kreeg van iemand
die onbekend wilde blijven, een lijst met veel namen van christenen.
Sommigen ontkenden dat ze christen waren. Ik heb hun gevraagd de goden aan
te roepen, wierook en wijn aan uw beeltenis te offeren en de naam van Christus
te vervloeken. Als ze dat deden, heb ik hen weer naar huis laten gaan. Men
zegt dat echte christenen zich nooit tot zoiets zullen laten dwingen.
Anderen zeiden eerst dat ze christen waren, maar ontkenden het later. Ook
zij hebben allemaal uw beeld en de beelden van de goden aanbeden en
Christus vervloekt. Zij verklaarden dat ze vroeger christenen waren
geweest. Hun fouten kwamen hier op neer, dat zij gewend waren op een vaste
dag voor zonsopgang bij elkaar te komen. Zij zongen dan liederen, waarin
Christus als God vereerd werd. Ze beloofden plechtig dat ze niet zouden
stelen, moorden, echtbreuk plegen of hun woord van trouw breken. Daarna
gingen ze uiteen en kwamen weer bij elkaar voor een eenvoudige maaltijd.
Met dit alles waren ze opgehouden, nadat ik uw opdracht had uitgevoerd en
een verbod op alle verenigingen had uitgevaardigd.
Dat was alles wat ze bekenden. Daarom zag ik mij gedwongen twee
slavinnen op de pijnbank te leggen en zo naar de waarheid te vragen. Ik
vond niets anders dan een verkeerd en overdreven bijgeloof.
Daarom heb ik een verder onderzoek uitgesteld om u te raadplegen. Dat
lijkt mij nodig, vooral wegens het grote aantal: mensen van alle
leeftijden, uit alle lagen van de bevolking, mannen en vrouwen, worden
beschuldigd en dat gaat zo maar door. Niet alleen de steden maar ook het
platteland is met dit bijgeloof besmet. Toch geloof ik dat deze beweging
gestuit en teruggedrongen kan worden. In elk geval staat het vast, dat
tempels die bijna verlaten waren, weer worden bezocht, dat oude
erediensten weer worden hervat en dat er weer vee geofferd wordt. Hieruit
kan men afleiden, dat veel mensen van hun dwaling kunnen worden
teruggebracht.’