Toen hij vier jaar oud was emigreerde zijn familie naar
de Sovjet Unie. Hij keerde naar zijn geboorteland Slowakije terug in 1938
waar hij in het geheim lid werd van de Communistische Partij in 1939. In
het Slowaakse verzet was hij actief tot augustus 1944.
Hij werd vrijgestelde voor de partij in 1949, maar hij werd naar Moskou
teruggestuurd voor politieke vorming tussen 1955 en 1958.
Bij zijn terugkeer - met de reputatie een trouw aanhanger van Chroesjtsjov
te zijn - werd hij eerste secretaris van de Slowaakse partij in
Bratislava. Hij was niet de leider van de aanvallen op eerste secretaris
Novotny, maar liet zich zelf wel benoemen tot zijn opvolger tijdens een
bijeenkomst van het Centraal Comité van de Communistische Partij op 5
januari 1968.
Dubcek was een voorstander van het totalitaire karakter van de
communistische partij zonder het overwicht van de partij in
Tsjechoslowakije los te willen laten. In gesprekken met Breznjev
en de zijnen aan de Slowaaks-Oekraiënse grens tussen 29 juli en 1
augustus probeerde hij hen er van te verzekeren dat zijn 'socialisme met
een menselijk gezicht' het Tsjechoslowaaks reëel bestaande socialisme
niet in gevaar zou brengen.
Enkele dagen later liet hij zich even geruststellend uit tegenover leden
van het Warschau Pact.
Desalniettemin vielen de Sovjets met steun van enkele symbolische troepen
van het Warschau Pact op 20-21 augustus Tsjecho-Slowakije binnen.
Alexander Dubcek werd gearresteerd, maar al snel weer los gelaten na
gesprekken in Moskou. Tot april 1969 bleef hij eerste secretaris. Zijn
carrière eindigt met een ambassadeurschap in Turkije waarna hij in 1970
uit de partij wordt gegooid en boswachter wordt in Slowakije.
Na de Fluwelen Revolutie van 1989 treedt hij weer even in de
schijnwerpers. Op 25 december wordt hij voorzitter van de Nationale
Assemblee. In 1992 krijgt hij een auto-ongeluk waaraan hij overlijdt.
|