Uit het verslag van de VN

Sedert 3 november 1956, des avonds 9 uur, was Boedapest volledig omsingeld. Er kwamen berichten van de waarnemingsposten aan de grote wegen, dat honderden tanks langzaam op de hoofdstad afkwamen. Men ontving berichten dat kleine afdelingen in bepaalde districten waren binnengedrongen, waarschijnlijk om de opstandelingen ertoe te brengen het vuur te openen. Aangezien in overeenstemming met de terugtochtbepalingen van 31 oktober de Russische troepen Groot-Boedapest moesten ontruimen, werd aan de plaatselijke bevelhebbers door Nagy verboden het vuur te openen. Volgens verklaringen van ooggetuigen werd in geen enkel door de opstandelingen geschoten.

Op grond van getuigenissen van ooggetuigen voor de commissie mag men met zekerheid aannemen dat de gehele bevolking van Boedapest aan het verzet deelnam. Derhalve kon ook geen onderscheid worden gemaakt tussen de burgerbevolking en de militairen. Mannen, vrouwen en kinderen wierpen in groten getale 'Molotov-cocktails' uit de ramen van de bovenverdieping der huizen.

In de industriële wijken van Boedapest waren de meeste strijders arbeiders en de gevechten werden dus een worsteling tussen de Hongaarse fabrieksarbeiders en het leger van de Sovjet-Unie. Dat was vooral het geval in de wijken op de oever van de Donau waar Pest ligt en waar bijna de gehele zware industrie van Hongarije geconcentreerd is. Zoals in de stad zelf kwamen de aanvoerders van de verzetsgroepen uit het plaatselijke milieu voort. Iedere wijk of iedere groep van wijken stond onder het bevel van revolutionaire raden. Militairen, die zich vrijwillig bij de vrijheidsstrijders aansloten, versterkten niet alleen hun rijen, maar verschaften hun ook vaak delen van de uitrusting van het leger.


terug