Esterhazy stamde
uit een Hongaarse familie van diplomaten en soldaten. Aan het einde van de jaren zestig
van de vorige eeuw nam Esterhazy dienst in het Franse leger. Door goede relaties maakt hij
snel promotie en dient o.a. bij het Vreemdelingen Legioen, het Loire-leger in 1870 en de
Inlichtingendienst in Parijs. Tijdens de campagne in Tunesië in 1881-1882 is hij
gestationeerd in de havenstad Sfax (welke een ironie: tevens de naam van de boot waarmee
Dreyfus in 1899 terug zou keren naar Frankrijk). Esterhazy houdt erg veel van gokken en
verkeert daardoor in permanente geldnood. Door allerlei oplichterijen probeert hij zijn
schuldeisers van zich af te houden. Zelfs een huwelijk met een gravin uit Lotharingen
(vanwege haar centen) houdt hem niet schuldenvrij. Bovendien is hij er niet vies van om
zijn diensten aan te bieden tegen betaling aan een ieder die daartoe bereid is. Zo
schrijft hij artikelen voor het antisemitische schendblad La Libre Parole, en werpt
zich tegelijk op als verdediger van de Joden, waarvoor hij zelfs 2000 Francs weet te
verwerven van baron Edmond de Rothschild1. Hij vindt echter dat de
Fransen hem niet goed begrijpen. Daarom gaat hij over tot spionage voor erfvijand
Duitsland. Esterhazy is op dat moment gestationeerd bij het 74e Infanterie Regiment. Hij
biedt zijn diensten aan aan Von Schwartzkoppen, de Duitse militair attaché. Hij schrijft
o.a. het beruchte 'bordereau', het stuk waarop Alfred Dreyfus werd veroordeeld. Terwijl Dreyfus op
Duivelseiland gevangen zit, gaat Esterhazy tot maart 1896 door met de verkoop van geheime
stukken aan Von Schwartzkoppen. Picquart - hoofd van de Inlichtingendienst - krijgt in
maart 1896 in de gaten dat Esterhazy spioneert voor Duitsland. Eind augustus wordt het
Picquart duidelijk dat Esterhazy de echte schrijver van het bordereau is. Hoewel Picquart
aan de plaatsvervangende chef-staf van de État-Major, Gonse over zijn bevindingen
bericht, blijft Esterhazy voor als nog buiten schot. Picquart wordt zelfs van zijn functie
ontheven en op "dienstreis" gestuurd. Tevens worden allerlei belastende
documenten tegen hem gefabriceerd. Pas als Picquart via zijn vriend en advocaat Leblois
senator Scheurer-Kestner inschakelt, voelt de legerleiding nattigheid. De État-Major
raakt overtuigd van de gevaren die de aanklagers van Dreyfus bedreigen. Daarom wordt
Esterhazy naar Parijs geroepen. Hoewel zijn ontmaskering aanstaande is blijft hij de
koelbloedigheid zelve. In oktober 1897 durft hij zelfs in een drietal brieven aan de
Franse president zich als slachtoffer van laster te afficheren. Vooral Picquart moet het
hierbij ontgelden. Als echter Mathieu Dreyfus ingelicht door Scheurer-Kestner duidelijk
maakt dat Esterhazy de ware schrijver is van het voor Alfred zo belastende bordereau, dan
is het spel voor Esterhazy uit. Esterhazy eist dat hij door een Krijgsraad beoordeeld zal
worden. Begin januari 1898 vindt de zitting plaats. Esterhazy wordt vrijgesproken, daarmee
wordt Dreyfus impliciet nogmaals veroordeeld. Kort daarop publiceert
Zola zijn open brief aan de president: "J'Accuse".
De kwestie raakt hierdoor in een stroomversnelling, waarbij de legerleiding krampachtig
probeert vast te houden aan de idee dat Dreyfus de ware verrader is. Als steeds meer
blijkt dat de bewijsvoering tegen Dreyfus op drijfzand is gebaseerd en de positie van
Esterhazy niet meer is te ondersteunen, neemt Esterhazy de wijk naar Engeland. Esterhazy
laat in september 1898 in een interview met The Observer weten dat hij de schrijver
was van het bordereau. Hij voegt er echter valselijk aan toe dat hij dit gedaan had in
opdracht van kolonel Sandherr de toenmalige chef van de Franse Inlichtingendienst. Hoewel
hij vanuit zijn ballingsoord nog een enkele maal van zich laat horen, raakt het Esterhazy
ook in Groot-Brittannië langzamerhand in de vergetelheid. Onder de naam graaf Jean de
Voilemont overlijdt hij in 1923. Hij zou in zijn onderhoud hebben voorzien - afhankelijk
van de bron die men wil geloven - door het aanvaarden van zwijggeld van Franse officieren
of van de compensatie door de Joden voor bewezen diensten, of als rondreizend verkoper, of
als drugsverslaafde bordeelhouder. Gelet op zijn leefstijl is de laatste mogelijkheid
misschien wel de meest waarschijnlijke.2
1. Burns, M., Dreyfus. A Family Affair. London, 1992. p. 223.
2. Burns, M., Dreyfus. A Family Affair.1789-1945. London, 1992. p. 426.