Marie Charles Ferdinand Walsin Esterhazy, 26 december 1847   21 mei 1923

EsterhazyEsterhazy stamde uit een Hongaarse familie van diplomaten en soldaten. Aan het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw nam Esterhazy dienst in het Franse leger. Door goede relaties maakt hij snel promotie en dient o.a. bij het Vreemdelingen Legioen, het Loire-leger in 1870 en de Inlichtingendienst in Parijs. Tijdens de campagne in Tunesië in 1881-1882 is hij gestationeerd in de havenstad Sfax (welke een ironie: tevens de naam van de boot waarmee Dreyfus in 1899 terug zou keren naar Frankrijk). Esterhazy houdt erg veel van gokken en verkeert daardoor in permanente geldnood. Door allerlei oplichterijen probeert hij zijn schuldeisers van zich af te houden. Zelfs een huwelijk met een gravin uit Lotharingen (vanwege haar centen) houdt hem niet schuldenvrij. Bovendien is hij er niet vies van om zijn diensten aan te bieden tegen betaling aan een ieder die daartoe bereid is. Zo schrijft hij artikelen voor het antisemitische schendblad La Libre Parole, en werpt zich tegelijk op als verdediger van de Joden, waarvoor hij zelfs 2000 Francs weet te verwerven van baron Edmond de Rothschild1. Hij vindt echter dat de Fransen hem niet goed begrijpen. Daarom gaat hij over tot spionage voor erfvijand Duitsland. Esterhazy is op dat moment gestationeerd bij het 74e Infanterie Regiment. Hij biedt zijn diensten aan aan Von Schwartzkoppen, de Duitse militair attaché. Hij schrijft o.a. het beruchte 'bordereau', het stuk waarop Alfred Dreyfus werd veroordeeld. Terwijl Dreyfus op Duivelseiland gevangen zit, gaat Esterhazy tot maart 1896 door met de verkoop van geheime stukken aan Von Schwartzkoppen. Picquart - hoofd van de Inlichtingendienst - krijgt in maart 1896 in de gaten dat Esterhazy spioneert voor Duitsland. Eind augustus wordt het Picquart duidelijk dat Esterhazy de echte schrijver van het bordereau is. Hoewel Picquart aan de plaatsvervangende chef-staf van de État-Major, Gonse over zijn bevindingen bericht, blijft Esterhazy voor als nog buiten schot. Picquart wordt zelfs van zijn functie ontheven en op "dienstreis" gestuurd. Tevens worden allerlei belastende documenten tegen hem gefabriceerd. Pas als Picquart via zijn vriend en advocaat Leblois senator Scheurer-Kestner inschakelt, voelt de legerleiding nattigheid. De État-Major raakt overtuigd van de gevaren die de aanklagers van Dreyfus bedreigen. Daarom wordt Esterhazy naar Parijs geroepen. Hoewel zijn ontmaskering aanstaande is blijft hij de koelbloedigheid zelve. In oktober 1897 durft hij zelfs in een drietal brieven aan de Franse president zich als slachtoffer van laster te afficheren. Vooral Picquart moet het hierbij ontgelden. Als echter Mathieu Dreyfus ingelicht door Scheurer-Kestner duidelijk maakt dat Esterhazy de ware schrijver is van het voor Alfred zo belastende bordereau, dan is het spel voor Esterhazy uit. Esterhazy eist dat hij door een Krijgsraad beoordeeld zal worden. Begin januari 1898 vindt de zitting plaats. Esterhazy wordt vrijgesproken, daarmee wordt Dreyfus impliciet nogmaals veroordeeld. Kort daarop publiceert Zola zijn open brief aan de president: "J'Accuse". De kwestie raakt hierdoor in een stroomversnelling, waarbij de legerleiding krampachtig probeert vast te houden aan de idee dat Dreyfus de ware verrader is. Als steeds meer blijkt dat de bewijsvoering tegen Dreyfus op drijfzand is gebaseerd en de positie van Esterhazy niet meer is te ondersteunen, neemt Esterhazy de wijk naar Engeland. Esterhazy laat in september 1898 in een interview met The Observer weten dat hij de schrijver was van het bordereau. Hij voegt er echter valselijk aan toe dat hij dit gedaan had in opdracht van kolonel Sandherr de toenmalige chef van de Franse Inlichtingendienst. Hoewel hij vanuit zijn ballingsoord nog een enkele maal van zich laat horen, raakt het Esterhazy ook in Groot-Brittannië langzamerhand in de vergetelheid. Onder de naam graaf Jean de Voilemont overlijdt hij in 1923. Hij zou in zijn onderhoud hebben voorzien - afhankelijk van de bron die men wil geloven - door het aanvaarden van zwijggeld van Franse officieren of van de compensatie door de Joden voor bewezen diensten, of als rondreizend verkoper, of als drugsverslaafde bordeelhouder. Gelet op zijn leefstijl is de laatste mogelijkheid misschien wel de meest waarschijnlijke.2

1. Burns, M., Dreyfus. A Family Affair. London, 1992. p. 223.

2. Burns, M., Dreyfus. A Family Affair.1789-1945. London, 1992. p. 426.


terug