Emile Zola (2 april 1840 - 28 september 1902) en de Affaire Dreyfus

Ten tijde van de rechtszaak tegen Dreyfus hield Zola zich vooral bezig met de kwalijke invloed die de pers uitoefende. Volgens hem ondermijnde het antisemitisme de Republiek. Terwijl in Frankrijk na het Panamaschandaal het antisemitisme steeds meer salonfähig werd, nam Zola het op voor de Joden. Op 16 mei 1896 verschijnt van zijn hand Pour les Juifs.

In de ogen van Zola zijn het Leger en de Kerk twee reactionnaire krachten waarvoor gewaakt moet worden, maar daarmee is hij nog geen dreyfusard. Pas als Leblois - vriend en raadsman van Picquart - en vice-president van de Senaat Scheurer-Kestner met Zola spreken, gaat Zola 'om' en stelt hij zich vierkant acher Dreyfus. Belangrijke overweging is de dreiging die uitgaat van de nationalistische krachten en antisemitische elementen die de Republiek bedreigen.1

Aan de vooravond van het jaar 1898 is Zola voor zijn tijdgenoten binnen en buiten Frankrijk een beroemd schrijver. In zijn jonge jaren had als zoon van een uit Venetië afkomstige ingenieur het niet gemakkelijk. In 1870 start de cyclus Les Rougon-Maquart. Hij wordt een gevierd schrijver met de publikatie van deel zeven L'Assommoir (1877) over de ellende van de werkende bevolking in de voorsteden van Parijs. Zijn schrijversroem maakt hem een welgesteld man.

Als hij besluit om zich in te zetten voor Dreyfus beseft hij dat hij veel op het spel zet, zoals de toetreding tot de Académie Française, en de sympathie van het gros van zijn lezerspubliek. Het idee dat hij voor veel geld het bereidwillige slachtoffer zou zijn geworden van het niet bestaande Joodse 'syndicaat', raakt dan ook kant noch wal. Het tegendeel is veeleer waar: de affaire brengt hem bijkans aan de bedelstaf door de verschillende processen die tegen hem worden gevoerd. De persoonlijke moed die Zola in deze weet op te brengen, delen zijn lezers bepaald niet. Een groot deel van zijn publiek kwam uit de middenklasse. Maar de middenklasse was grotendeels antidreyfusard.

Al voordat de ware schuldige Esterhazy vrijgesproken wordt, maakt Zola duidelijk waar hij staat door de publikatie van een reeks van artikelen en pamfletten. In een brochure getiteld Lettre à la jeunesse richtte hij zich op de studenten die senator Scheurer-Kestner uitjoelden toen deze partij koos voor Dreyfus . In Lettre à la France van 7 januari 1898 riep hij iedereen op zijn angst te overwinnen en het zwijgen der medeplichtigen te doorbreken.

Terwijl de deliberaties van de Krijgsraad over de schuld van Esterhazy nog bezig zijn, begint Zola aan een woedend epistel gericht aan de president van de Republiek. In een dag en twee nachten schrijft hij zijn woede van zich af. Op de avond van de vrijspraak van Esterhazy leest hij zijn brief aan de redactie van L'Aurore, de krant van Clemenceau. Als hij klaar is, wordt er geapplaudisseerd. Clemenceau verzint de kop: 'J'ACCUSE!'. Op de ochtend van 13 januari komt de krant uit met een speciale editie in een oplage van 300.000 stuks. De kranten vliegen weg.

Dankzij dit artikel komt de kwestie in het volle daglicht en wordt tot l'Affaire.

Anders dan medestanders als Mathieu Dreyfus, Joseph Reinach of Scheurer-Kestner vindt Zola dat de affaire in het volle licht van de schijnwerpers moet worden gebracht. Daarvoor is een schok nodig zoals J'Accuse.

Vanuit het perspectief van rechtvaardigheid en morele beginselen die naar zijn mening ten grondslag moeten liggen aan de republiek, zet Zola zich met zijn gehele gewicht in voor de zaak. Hij heeft er weinig fiducie in dat de regering met legale middelen zal komen tot een herziening van het vonnis tegen Dreyfus. Hij zelf krijgt de volle laag van de publieke verontwaardiging over hem heen. Tegenstanders zagen er niet tegen op om Zola pakjes met uitwerpselen te sturen.

Op basis van luttele zinnen uit het artikel klaagt de regering hem en zijn uitgever aan wegens laster, waarop de rechtbank hem tot 1 jaar gevangenisstraf veroordeelde. Zola wachtte het vonnis niet af en week uit naar Engeland. Toch had hij zijn eerste doel bereikt: de publieke opinie kwam in beweging. Vooral de erkenning van het bestaan van een geheim dossier door generaal Pellieux vormde een belangrijke stap, temeer de dreyfusards via Picquart wisten dat de inhoud bestond uit vervalsingen.

Met zijn artikel brengt Zola ook de geletterde bovenlaag in actie. De intellectuelen, zoals zij misprijzend door hun tegenstanders werden genoemd, gingen zich inzetten voor Dreyfus. Eén van hen, Ludovic Trarieux, richt in februari 1898 de Ligue des droits de l'homme op.

Hoewel er nog een harde strijd geleverd moest worden, na het verschijnen van J'Accuse ontwikkelde de affaire zich in gunstige zin voor Zola en Dreyfus.

Pas na de gratiëring van Dreyfus kon Zola terugkeren naar Frankrijk, waar hij in september 1902 ten gevolge van een koolmonoxide vergiftiging overleed.

1. Becker, Colette, "Zola et l'Affaire Dreyfus." in: Zola, E., L'Affaire Dreyfus. La vérité en marche. Parijs, 1969. p. 33


terug