Tegen de middag kwam Dreyfus in burger. Majoor Henry en een ambtenaar van de Sûreté
brachten hem in een huurrijtuig. Het bevel tot inhechtenisneming [...] dateerde van 14
oktober, wat bewijst dat het gegeven werd voordat men de kapitein gezien en verhoord had.
Het was door de Minister van Oorlog zelf ondertekend, dat wil zeggen dat de gouverneur van
Parijs er niets van wist. Aan hem werd pas naderhand door een stafofficier van de
État-Major de genomen maatregel gemeld. Mij was verboden het te doen.
Vanaf dit ogenblik was Dreyfus als het ware in zijn cel ingemetseld. Niemand mocht de
arrestant zien. Gedurende zijn hele verblijf in de Cherche-Midi mocht de deur van zijn cel
slechts in mijn tegenwoordigheid geopend worden.
Kort na zijn insluiting ging ik naar kapitein Dreyfus. Hij bevond zich in een toestand van
onbeschrijflijke opwinding; ik had een ware krankzinnige voor me; zijn ogen waren
bloeddoorlopen. Alles wat zich in zijn cel bevond had hij ondersteboven gegooid. Het lukte
me slechts met moeite hem tot bedaren te brengen. Bij mij kwam direct de gedachte op dat
de officier onschuldig was.
Hij verzocht me nadrukkelijk hem schrijfmateriaal te geven of zelf in zijn naam aan de
Minister van Oorlog te schrijven dat hij door hem of door een van de generaals verhoord
wilde worden. Hij vertelde mij zijn arrestatie. De gebeurtenis was zowel onwaardig als
onsoldatesk geweest.
Van 18 tot 24 oktober werd hij aan de verhoren van majoor du Paty de Clam onderworpen
[...] Voordat de majoor Dreyfus bezocht, vroeg hij mij of ik niet plotsklaps met een sterk
schijnende lamp die van een reflector was voorzien bij Dreyfus naar binnen gaan kon.
Wanneer hij hem op die manier zou verrassen, dan zou hij hem van zijn stuk brengen.
Du Paty onderwierp Dreyfus aanvankelijk aan twee verhoren. Hij dicteerde hem elke keer
delen van zinnen uit het belastende document om de handschriften te vergelijken. De hele
tijd bevond Dreyfus zich in een toestand van de grootste opwinding. Van buiten hoorde men
hem zuchten, huilen, met luide stemmen redeneren, zijn onschuld bezweren. Hij stootte zich
aan de meubels en de muren en scheen niet te merken dat hij zich pijn gedaan had.
Hij had geen enkel moment rust. Als hij zich overmand door kwellingen en vermoeidheid zich
aangekleed te bed wierp, werd zijn slaap door verschrikkelijke nachtmerries verstoord
[...]
In deze negen dagen van werkelijke doodstrijd nam hij niets anders tot zich dan soep en
wijn met suiker; hij beroerde geen vast voedsel.
Op de 24ste leek mij zijn aan krankzinnigheid grenzende geestestoestand zo ernstig, dat ik
de verantwoording niet alleen dacht te kunnen dragen en aan de minister en de gouverneur
van Parijs bericht stuurde.
's Middags begaf ik mij naar generaal de Boisdeffre, die mij bij zich had ontboden en mij
had laten weten dat hij bij de Minister van Oorlog zou bevinden. De generaal wilde mijn
mening over Dreyfus weten en ik zei hem zonder aarzeling: "Men is op het verkeerde
spoor, deze officier is niet schuldig".
Dat was mijn overtuiging en deze heeft zich intussen steeds meer bevestigd.
De generaal was vervolgens alleen bij de minister binnengegaan, terwijl ik op hem wachtte,
en hij scheen geërgerd toen hij er uit kwam en mij zei: "De minister gaat op reis
[...]; hij laat mij de vrije hand. Probeert U Dreyfus tot de terugkeer van de minister
onder controle te houden; de minister zal daarna alles in orde brengen."
Dat wekte bij mij de indruk alsof generaal de Boisdeffre niets van doen had met de
arrestatie en deze afkeurde. Vervolgens beval hij me de kapitein door de gevangenisarts te
laten onderzoeken, die vervolgens een kalmeringsmiddel voorschreef en permanente bewaking
aanbeval.
Vanaf 27 oktober kwam du Paty bijna dagelijks om Dreyfus aan nieuwe verhoren te
onderwerpen die steeds weer afkoersten op een schuldbekentenis die hij onophoudelijk
afwees.
Tot de dag waarop de ongelukkige aan de officier van de Krijgsraad belast met het
vooronderzoek werd overgedragen, wist hij slechts dat hij van 'hoogverraad' werd
beschuldigd zonder dat hij wist wat het werkelijke misdrijf was.
Het onderzoek duurde lang. Zolang het duurde, geloofde Dreyfus zo weinig in het indienen
van een aanklacht of zelf in een veroordeling dat hij meerdere keren zei: "Wat zal ik
als schadevergoeding eisen? Ik wil het Kruis van het Légion d'Honneur hebben en
vervolgens ontslag nemen! Dat heb ik majoor du Paty verklaard, die het aan de minister
heeft gemeld. Hij heeft geen enkel bewijs tegen mij; hij kan slechts zo weinig hebben dat
de officier van de Krijgsraad in zijn rapport met aanwijzingen en vermoedens werkt zonder
ergens iets precies te kunnen zeggen of vaststellen."
Jammer genoeg zou het anders lopen. Na de veroordeling werd Dreyfus naar zijn cel
teruggebracht, waar ik op hem wachtte. Toe hij mij zag, riep hij snikkend: "Mijn enig
ongeluk is als jood geboren te zijn. Hiertoe heeft mijn leven van werken en inspanningen
mij gebracht. Waarom ben ik naar de Krijgsschool gegaan, waarom heb ik geen ontslag
genomen, zoals mijn familie graag wilde. [...]"
Zodra de uitslag van het beroep bekend werd, kwam majoor du Paty nog een keer met een
bijzondere machtiging van de Minister van Oorlog om alleen en ongestoord met Dreyfus te
praten [...]
Bij deze laatste ontmoeting spande majoor du Paty zich in om een schuldbekentenis te
verkrijgen - of tenminste de erkenning van een onvoorzichtig aanknopen van betrekkingen.
Dat blijkt uit een brief die Dreyfus direct daarna aan de Minister van Oorlog schreef.
Dreyfus antwoordde dat hij met niemand in contact is getreden, dat hij onschuldig is.
Op 4 januari 1895 werd ik ontheven van mijn zware verantwoordelijkheid.
Op die dag drukte ik kapitein Dreyfus ten afscheid de hand en de gendarmes brachten hem
geboeid naar de École Militaire waar hij gedegradeerd werd, terwijl hij zijn onschuld
luid bezwoer. Hij onderging het, wat erger dan de dood is, en daarna kwam de verbanning.
Mijn taak was zeer beklagenswaardig en treurig geweest, omdat ik als het ware het bestaan
van deze ongelukkige bijna drie maanden moest delen. Ik had het strenge bevel aanwezig te
zijn bij zijn maaltijden, ik moest hem streng bewaken opdat hem geen schriftelijke
boodschap van buiten kon bereiken, die in de voedingsmiddelen verstopt zou kunnen zijn.
[...] Op basis van mijn lange en grondige ervaring met arrestanten ben ik niet bevreesd om
openlijk te verklaren dat men een verschrikkelijke fout begaan heeft. Zo heb ik kapitein
Dreyfus nooit als een verrader van zijn vaderland en van zijn uniform beschouwd.
Vanaf het begin kenden mijn directe meerderen en anderen mijn mening.
Ik heb mijn opvatting duidelijk gemaakt in de aanwezigheid van hoge ambtenaren en
politieke persoonlijkheden, talrijke officieren van alle rangen, journalisten en
schrijvers [...] Ik ben nooit opgehouden de onschuld van kapitein Dreyfus te verkondigen,
die het slachtoffer is van een klap van het noodlot, die ons onverklaarbaar en donker
blijft, - of het slachtoffer van een ongegrond doelbewust complot.