Emile Zola, J'Accuse, L'Aurore, 13 januari 1898

[...] J'Accuse kolonel du Paty de Clam, die de duivelse aanstichter van de gerechtelijke dwaling is geweest, - ik wil geloven, de onbewuste dwaling -, en die vervolgens zijn noodlottig werk drie jaar lang door middel van de eigenaardigste en strafbaarste kuiperijen verdedigd heeft.

J'Accuse Generaal Mercier, die zich medeschuldig heeft gemaakt aan een van de grootste onrechtvaardigheden van de eeuw - al is het misschien slechts uit zwakheid van geest.

J'Accuse Generaal Billot, die stellige bewijzen voor de onschuld van Kapitein Dreyfus in handen heeft gehad. Doordat hij deze bewijzen achterhield, maakte hij zich schuldig op grond van politieke berekening aan een misdaad tegen de mensheid en tegen de gerechtigheid om de gecompromitteerde generale staf te redden.

J'Accuse Generaal de Boisdeffre en Generaal Gonse, die zich aan deze misdaad mede schuldig hebben gemaakt. De een zonder twijfel uit hartstochtelijke klerikale ijver; de ander in gehoorzaamheid aan de korpsgeest, die hem het Ministerie van Oorlog als iets onaantastbaars doet voorkomen.

J'Accuse Generaal de Pellieux en Majoor Ravary, die een misdadig onderzoek hebben ingesteld. Daaronder versta ik een onderzoek met een monsterachtige partijdigheid, waarvan wij in de vorm van het verslag van Majoor Ravary de onvergankelijke herinnering aan naïeve driestheid bezitten.

J'Accuse de drie handschriftexperts Belhomme, Varinard en Couard, die leugenachtige en bedrieglijke rapporten hebben uitgebracht, als tenminste in een medisch onderzoek niet wordt aangetoond dat zij aan een oogziekte of psychiatrische aandoening lijden.

J'Accuse het Ministerie van Oorlog, dat in de pers, met name in de kranten L'Eclaire en L'Echo de Paris een afzichtelijke propaganda heeft bedreven om de publieke opinie te misleiden en zijn eigen opzettelijke fouten te maskeren.

Tot slot klaag ik de eerste krijgsraad aan het recht te hebben geschonden, waarin een beklaagde op grond van een document is veroordeeld, dat voor hem geheim is gehouden, en ik klaag de tweede krijgsraad aan deze onwetmatigheid op bevel van hogerhand gedekt te hebben, waarmee deze zijnerzijds willens en wetens een juridisch misdrijf begaan heeft door een schuldige vrij te spreken.

Daar ik deze aanklachten indien, ben ik mij er van bewust, dat ik mij blootstel aan vervolging op grond van artikel 30 en 31 van de Perswet van 20 juli 1881, waar het smaad betreft. Dat neem ik opzettelijk op mij. Wat de lieden betreft die ik heb aangeklaagd, ik ken ze niet, ik heb hen nooit gezien, ik heb tegen hen geen wraak- noch haatgevoelens. Zij zijn voor mij slechts enkelvoudigheden, gevaarlijke individuen voor de samenleving. En de daad die ik bega, is slechts een revolutionair middel om de doorbraak van de waarheid en gerechtigheid te bespoedigen.

Ik heb slechts één hartstocht, namelijk de verlichting in naam van de mensheid die zoveel geleden heeft en die recht op geluk bezit.

Mijn vlammend protest is slechts een kreet van mijn ziel. Heeft men de moed mij voor de jury-rechtbank te dagen, laat de rechtszitting in alle openbaarheid plaatsvinden!

Ik wacht af.

Staat U mij toe, Monsieur le Président, om U van mijn dieptste respect te verzekeren.

Emile Zola

 

 

terug