Arthur Young ontmoet een Franse boerin, 178912 juli. Toen ik een lange helling opwandelde om mijn merrie te ontzien, kwam een arme vrouw naast mij lopen die over de slechte tijden klaagde en dat het een triest land was; toen ik haar de reden hiervan vroeg, zei zij dat haar man slechts een miniem stukje land bezat, een koe en een arm paard je, maar dat zij desondanks een franchar (42 pond) aan tarwe en drie kippen aan pacht moesten betalen aan een heer en vier franchar aan haver, een kip en een stuiver aan een andere, nog afgezien van zeer zware tailles en andere belastingen. Zij had zeven kinderen, en van de melk van de koe kon ze soep maken. Maar waarom, vroeg ik, houden jullie niet nog een koe in plaats van een paard? Ach, haar man kon zijn produkten niet zo goed dragen zonder een paard; en ezels zijn in dit land van weinig nut. Men beweerde tegenwoordig dat door enige hoge lieden iets voor zulke arme mensen moest worden gedaan, maar zij wist niet wie of hoe. maar God geve ons iets beters, want de tailles en de rechten verpletteren ons (car les tailles et les droits nous écrasent'). Van niet al te grote afstand bezien, had men deze vrouw voor zestig of zeventig jaar kunnen houden, zo gekromd was ze en haar gezicht zo gerimpeld en gelooid door het harde werk, maar ze zei dat ze pas achtentwintig jaar was. Een Engelsman die niet heeft gereisd, kan zich geen voorstelling maken van het voorkomen van het overgrote deel van de boerenvrouwen in Frankrijk; hieruit spreekt op het eerste gezicht harde en zware arbeid. |