|
Charlotte Corday
d'Armont was vijfentwintig toen zij op 7 juli 1793 in Caen een parade van Girondijnse
troepen meemaakte. De hoop van de Girondijnen was dat
deze parade een enthousiaste stroom vrijwilligers op gang zou brengen om zo de Jacobijnen
te weer te kunnen stellen. De parade werd een teleurstelling, slechts weinige
vrijwilligers meldden zich. Maar voor Charlotte Corday was het zoveelste herinnering dat
de Jacobijnen de Republiek in discrediet hadden gebracht
en dat daar iets aan gedaan moest worden.
Een van haar streekgenoten was Abbé Gombault, die aan haar moeder de laatste sacramenten
had toegediend. Hij weigerde als priester de eed van trouw aan de grondwet af te leggen.
Dat werd door sommigen gezien als landverraad en verraad aan de revolutie met als gevolg
dat hij op 5 april 1793 naar de guillotine wordt
gebracht en onthoofd, de eerst van een reeks slachtoffers in Caen.
Kort daarop verschijnen er berichten in de pers waarin de tirannie van een kleine kliek
aan de kaak wordt gesteld en verantwoordelijk wordt gehouden voor deze terreurdaden. Ook
in Caen vinden deze berichten gretig aftrek en het is wel haast zeker dat Charlotte deze
ook gelezen heeft. Als een van de hoofdschuldigen wordt
Marat aangewezen. Charlotte trekt de conclusie dat zij een daad moet stellen en met de
diligence vertrekt zij zonder toestemming van haar vader
naar Parijs. Marat zou er aan gaan!
Zij heeft niet de bedoeling het koningshuis te herstellen of de verworvenheden van de
revolutie terug te draaien. Ook zij had Rousseau
gelezen en zich verdiept in de gebruikelijke geschiedenissen van Rome. Voor haar was de
Revolutie vooral een omwenteling waarin hooggestelde morele doelen golden, zoals bij de
oude Romeinen tijdens de Romeinse Republiek.
Op 13 juli verlaat zij 's ochtends vroeg haar logement in de buurt van de Rue des
Victoires en gaat naar het Palais-Royal. Ze koopt een krant waarin nog eens blijkt hoe
perfide de Jacobijnen zijn. Léonard Bourdon eiste in de Convention de doodstraf voor alle
Girondijnen. Ze schaft zich een andere hoed aan en tot slot gaat zij naar een messenwinkel
om een keukenmes met een vijftien centimeter lang lemmet en houten heft te kopen. Het mes
verstopt ze onder haar jurk.
Charlotte dwaalt dan nog wat rond om vervolgens om ongeveer half twaalf bij het huis van
Marat in de Rue des Cordeliers aan te komen. Marat stond er om bekend dat zijn deuren voor
iedereen open stonden. Dus het zou voor Charlotte eenvoudig moeten zijn om bij hem door te
dringen. Maar voordat zij zover kon komen werd zij door een huisgenote van Marat
weggestuurd met de mededeling dat Marat te ziek was om wie dan ook te ontvangen.
Gefrustreerd besluit zij Marat een brief te schrijven die zijn belangstelling wel moest
wekken en waardoor zij wel bij hem toegelaten zou worden. Ze suggereerde informatie te
kunnen verschaffen over samenzweringen die op gang werden gezet door naar Caen ontsnapte
Girondijnen. Ze vroeg om een antwoord maar vergat uit pure zenuwen haar adres te
vermelden.
Om zeven uur 's avonds kwam Charlotte Corday opnieuw bij het huis van Marat. Natuurlijk
had zij haar mes bij zich en nu ook een brief waarop zij aandrong om hem te mogen
bezoeken. Toevallig werden net brood en kranten gebracht zodat zij pas staande werd
gehouden toen zij al halverwege de trap was. De vriendin van Marat - Simone Evrard -
vertrouwde haar niet en vroeg wat zij kwam doen. Charlotte verhief expres haar stem en
vertelde dat zij mededelingen had over een samenzwering. Marat zat in bad vanwege zijn
huidkwaal en riep haar binnen, maar Simonne bleef angstvallig waken, totdat Marat haar
vroeg nog enig badwater te halen. Om haar Jacobijnse inslag te bewijzen gaf zij op zijn
verzoek een opsomming van alle
samenzweerders. "Bon", antwoordde Marat, "binnen een paar dagen zal ik ze
allemaal onder de guillotine hebben."
Waarna Charlotte Corday moorddadig toestak. Met één messteek bracht zij Marat een
zodanige wond toe dat hij het niet overleefde. De kreet bracht nog wel een wanhoopspoging
op gang om zijn leven te redden, maar alle hulp kwam te laat. De Ami du Peuple was niet
meer, een cultus voor de 'martelaar voor de vrijheid' was begonnen. Vanzelfsprekend
publiceerde L'Ami du Peuple een uitgebreid
verslag.
En Charlotte? Door Laurent Bas, die voor de krant van Marat werkte, werd zij eerst met
een stoel bekogeld waarna hij haar tegen de grond werkte door haar zoals hij tegenover het
hof stelde 'bij haar borsten vast te pakken." Charlotte was helemaal niet van plan
geweest om weg te lopen en bleef stoïcijns. Ze legde tegenover de rechtbank die haar
veroordeelde, uit dat zij gemerkt had dat Frankrijk op de rand van burgeroorlog
verkeerde en dat Marat daaraan voor een groot deel schuldig. Dat had haar doen besluiten
om haar leven op te offeren pour la Patrie. Alle onderzoekingen ten spijt
verricht door een revolutionair comité bleef de daad van Charlotte Corday uniek en waren
er geen complotteurs te ontdekken, zoals Charlotte ook zelf al had duidelijk gemaakt.
Het vonnis luidde de guillotine. Op 17 juli werd dit
vonnis dan ook voltrokken.
De daad van zelfopoffering was voor André
Chenier aanleiding tot het schrijven van een Ode
aan Charlotte Corday
|