| Olympe de Gouges (1748-1793) was een slagersdochter uit Montauban. Als
jonge weduwe kwam zij naar Parijs. Haar meisjesnaam was Marie Gouze, maar
zij weigerde bij haar huwelijk de naam van haar man te dragen. In plaats
daarvan ontwierp zij haar schrijversnaam waaronder zij ook bekend is
geworden. Ze schreef toneelstukken en vanaf het prille begin van de
revolutie ook politieke pamfletten. Furieus over de uitsluiting van
vrouwen voor de Constituante
publiceerde zij in 1791 Les Droits de la Femme et du Citoyen
als
tegenwicht voor de Verklaring
van de rechten van de mens en Burger. Haar tekst wordt wel beschouwd
als stichtingsdocument voor het feminisme, maar bleef in haar tijd niet
meer dan een curiositeit.
Tijdens het proces tegen Lodewijk XVI
veroorzaakte zij een schandaal door zich aan te dienen als officieuze
verdedigster. Ook al werd haar het recht om te spreken ontzegd, dat deed
haar niet verhinderen in geschrifte op tal van manieren haar mening te
geven. Een poging om haar te recruteren voor de contra-revolutie wees zij
botweg van de hand. Zij pleitte daarentegen voor bundeling van alle
partijen tegen het buitenland. In 1793 sloot zij zich aan bij Vergniaud en
zijn Girondijnen. Nadat de Girondijnen
uit de Assemblée verwijderd waren en zelfs werden gearresteerd, bleef zij
hen verdedigen bij de Conventie,
ook al werd haar brief gecensureerd. Haar Testament politique kreeg
geen enkele weerklank. Toch hield zij vol. In weerwil van het gevaar
schreef zij een federalistische tekst, - Les Trois Urnes - waarin
zij pleitte voor een referendum waarin alle Fransen zich zouden
kunnen uitspreken over hun voorkeur voor een regeringsvorm. Valk voordat
zij deze tekst wilde afficheren, werd zij gearresteerd op 20 juli. De wet
straft eenieder met de dood die in geschrifte een regeringsvorm poogt in
te stellen, anders dan een republikeinse, één en ondeelbaar, aldus het
arrestatiebevel.
Maar zelfs vanuit de gevangenis wist zij via vrienden nieuwe aanvallen te
lanceren op de terreur en Robespierre
en de openbare aanklager Fouquier-Tinville.
In artikel X van de Verklaring van de rechten van de Vrouw en Burgeres had
zij het recht opgeëist 'om het schavot te beklimmen'. Op 2 november werd
haar inderdaad dit recht verleend, waarna zij de terechtstelling nog één
dag wist uit te stellen, net genoeg tijd voor een laatste
brief aan haar zoon. Ook in deze brief blijft zij in het aangezicht
van de dood trouw aan haar overtuiging en principes.
Vlak voordat de guillotine
haar leven beëindigde op 3 november 1793 riep zij de menigte toe: 'Kinderen
van het vaderland, gij zult mijn dood wreken.
Medestandsters uit haar eigen tijd waren er maar weinig. Bekend zijn
Anne-Josèphe Théroigne de Méricourt (1758-1817) die het radicale Les
Françaises devenues libres schreef in 1791 en Mary
Wollstonecraft (1759-1797). Van haar hand is Vindication of the Rights
of Women (1792).
In juni 1793 werden vrouwen uitdrukkelijk uitgesloten van het burgerschap.
uit: Davies, Norman, Europe. A history. Oxford - New York, 1996.
p. 716; Janssen Perio, E.M., Vrijheid, gelijkheid en de broederschap
van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie. Baarn,
1989, p. 74-75; Blanc, Olivier, De laatste brief. Authentieke afscheidsbrieven van slachtoffers
van de Franse Revolutie. Amsterdam, 1988. p. 139
|