De tweeëenheid van deugd en terreur (Robespierre)Indien de bevoegdheid van de volksregering in de vrede berust hij de deugd, dan is de bevoegdheid van de volksregering in een revolutie gelegen in zowel de deugd als de terreur: de deugd, zonder welke de terreur dodelijk is; de terreur, zonder welke de deugd machteloos is. De terreur is niet anders dan de parate, strenge, onbuigzame gerechtigheid; zij is dus een uitvloeisel van de deugd; zij is minder een bijzonder beginsel dan een gevolgtrekking uit het algemene beginsel van de democratie toegepast op de dringendste behoeften van het vaderland. Men heeft gezegd dat de terreur de bevoegdheid was van een despotische regering. Maar lijkt uw regime soms op het despotisme! Ja, zoals het zwaard dat schittert in de handen van de helden van de vrijheid gelijkt op dat waarmee de handlangers van de tirannie zijn gewapend. Laat de despoot zijn afgestompte onderdanen maar door de terreur overheersen; hij heeft daarvoor zijn redenen als despoot; temt u echter door de terreur de vijanden van de vrijheid, en u hebt daarvoor uw redenen als grondleggers van de Republiek. De regering van de revolutie is het despotisme van de vrijheid tegen de tirannie. Laat de tirannie een enkele dag heersen en de volgende dag zal er geen patriot meer over zijn. Hoe lang zal de woede der despoten nog gerechtigheid heten en de gerechtigheid van het volk barbarij of rebellie? Hoe zachtmoedig is men tegenover de onderdrukkers en hoe meedogenloos voor de onderdrukten! Niets is natuurlijker: al wie de misdaad niet haat, kan de deugd niet liefhebben. Uit: Janssen Perio, E.M., Vrijheid, gelijkheid en broederschap. Getuigenissen en documenten over de Franse revolutie. Baarn, 1989, p |