Lodewijk XVI wordt onthoofd

Parijs, 21 januari 1793
Door zijn aalmoezenier Henry Essex Edgeworth de Firmont
Toen de koning in de koets was gezeten, waar hij noch kon spreken noch kon worden
toegesproken zonder dat er iemand meeluisterde, nam hij een diep stilzwijgen in acht. Ik
reikte hem mijn brevier, het enige boek dat ik bij me had, en hij scheen verheugd dit te
kunnen aannemen: hij leek ernaar te verlangen dat ik hem de psalmen zou aanwijzen die het
meest op zijn situatie van toepassing waren, en vol aandacht lazen we deze hardop. De
gendarmes, die geen woord lieten horen, leken verbaasd en verward door de kalme vroomheid
van hun vorst, die zij zonder twijfel nog nooit zo dicht waren genaderd.
De stoet had bijna twee uur nodig; de straten waren omzoomd door burgers,
allen
bewapend, sommigen met pieken, anderen met vuurwapens, en de koets werd omringd door een
grote hoeveelheid gewapende troepen, geformeerd uit de meest nietsontziende bewoners van
Parijs. Als tweede voorzorgsmaatregel had men vóór de paarden een aantal trommelaars
gezet, dat elk rumoer of stemgeluid ten gunste van de koning moest dempen; maar wie zou
naar hen hebben kunnen luisteren? Geen mens liet zich zien in de deuropeningen of
achter de vensters, men zag alleen gewapende burgers - stuk voor stuk lieden die zich
haastten om een misdaad te zien volvoeren die ze misschien in hun hart verfoeiden.
De koets reed zo in stilte voort tot de Place de Louis XV, en hield stil midden in een
grote ruimte die rond het schavot was vrijgehouden: deze ruimte werd omringd door kanonnen
en daarachter bevond zich een gewapende menigte zover het oog reikte. Zodra de koning
merkte dat de koets stilstond, keerde hij zich om en hij fluisterde in mijn richting: 'We
zijn er, als ik mij niet vergis.' Mijn zwijgen was het enige antwoord. Het portier werd
door een bewaker geopend, en de gendarmes stonden op het punt naar buiten te springer,
toen de koning hen tegenhield, zijn hand op mijn knie legde en op vorstelijk toon zei:
'Heren, ik beveel deze goede man in uw aandacht aan. Zorg ervoor dat na mijn dood hem geen
smaad wordt aangedaan - ik draag u op dit te voorkomen.' [...] Zodra de koning uit de
koets was gestapt, werd hij omringd door drie bewakers, die klaarstonden om hem van zijn
kledij te ontdoen, maar hij duwde hen hooghartig van zich af: hij ontkleedde zichzelf,
maakte zijn halsdoek los, knoopte zijn jas los, en verrichtte al deze handelingen
eigenhandig. De bewakers, door de vastberaden uitdrukking op het gezicht van de koning een
moment in verlegenheid geraakt, schenen hun vrijpostigheid te hervinden. Ze omringden hem
opnieuw en wilden zijn handen vastgrijpen. 'Wat proberen jullie te doen?' zei de koning,
die zijn handen terugtrok. 'U vastbinden,' antwoordden de schurken. 'Mij vastbinden,' zei
de koning verbolgen. 'Nee! Daarmee zal ik nooit instemmen: doe wat jullie is opgedragen,
maar nooit zal ik mij laten binden...'
Het pad dat naar het schavot leidde, was bijzonder oneffen en moeilijk begaanbaar; de
koning was gedwongen op mijn arm te leunen, en de traagheid waarmee hij voortliep deed mij
een ogenblik vrezen dat zijn dapperheid hem in de steek zou laten. Maar groot was mijn
verbazing toen hij plotseling bij de laatste step mijn arm losliet, en ik hem met vaste
tred over de hele breedte van het schavot zag schrijden. Er viel een stilte, door zijn
blik alleen al, hoewel er vijftien of twintig trommels recht tegenover mij stonden; en met
een stem zo luid dat hij tot op de pont Tournant te horen moet zijn geweest, hoorde ik hem
duidelijk deze memorabele woorden uitspreken: 'Ik sterf onschuldig aan alle misdaden die
mij ten laste zijn gelegd. Ik vergeef degenen die mijn dood hebben veroorzaakt. En ik bid
tot God dat het bloed dat u gaat vergieten nooit over Frankrijk moge worden vergoten.'

Hij liep naar voren toen een man te paard, in het nationale uniform, met een woeste
kreet de trommelaars bevel hun werk te doen. Op hetzelfde moment klonken vele stemmen, die
de beulen aanmoedigden. Die leken zelf opeens tot leven te komen, grepen de deugdzaamste
van alle vorsten zo ruw mogelijk beet en trokken hem onder de bijl van de guillotine, die
met een slag zijn hoofd van zijn lichaam scheidde. Het was in een oogwenk gebeurd. De
jongste wachter, die me niet ouder den achttien jaar leek, greep onmiddellijk het hoofd
van de koning, wandelde ermee rond over het schavot en toonde het de aanwezigen Deze
monsterlijke ceremonie liet hij gepaard gaan met zeer gruwelijke en onfatsoenlijke
gebaren. Aanvankelijk heerste er een akelige stilte. Ten slotte werd hier en daar de
leuze 'Vive la République!' gehoord. Allengs nam het aantal stemmen toe en binnen tien
minuten werd deze kreet, duizendmaal herhaald, door iedereen overgenomen en luid
uitgeschreeuwd, en alle mutsen vlogen in de lucht.
|