De laatste brief van Olympe de GougesDe laatste brief van 2 november 1793 van Marie Gouze, ook wel Olympe de Gouges genoemd. Zij was een van de belangrijkste voorvechtsters van de rechten van de vrouw en is daarmee een voorloopster van het moderne feminisme. Van haar hand is de Verklaring van de rechten van de vrouw. Daags na het schrijven van deze brief werd zij onthoofd.
Ik sterf, mijn lieve zoon, slachtoffer van mijn bezieling voor het vaderland en voor het volk. Diens vijanden voeren mij onder het bedrieglijke mom van hun republikeinse gezindheid, zonder scrupules naar het schavot. Na vijf maanden opsluiting werd ik overgebracht naar een herstellingsoord waar ik zo vrij was als in mijn eigen huis. Ik had kunnen ontsnappen, mijn vijanden en mijn beulen wisten dat maar al te goed, maar ik was er zo van overtuigd dat het, ondanks de grootst mogelijke kwaadwilligheid om mij ten val te brengen, uitgesloten was mij ook maar een daad tegen de Revolutie ten laste te leggen; daarom heb ik zelf aangedrongen op mijn berechting. Had ik kunnen voorzien dat ongebreidelde bloeddorst recht zou spreken, tegen elke wet in; zelfs tegen het toegestroomde publiek in, dat hen weldra mijn dood zal verwijten? Mijn dagvaarding werd mij drie dagen voor mijn dood overhandigd; zodra deze akte betekend is, geeft de wet mij het recht op omgang met mijn verdedigers en al mij bekende personen. Dit alles is mij onthouden. Ik zat praktisch in eenzame opsluiting, kon zelfs niet met mijn bewaker in contact komen. De wet kent mij ook het recht toe om mijn gezworenen te kiezen; om twaalf uur 's nachts kreeg ik inzage in de lijst en om zeven uur de volgende morgen werd ik voor het Tribunaal geleid, ziek en zwak, onbekwaam om in het openbaar te spreken; overeenkomstig Jean-Jacques en vanuit dezelfde overwegingen, ervoer ik mijn volstrekte machteloosheid. Ik vroeg om de verdediger van mijn keuze. Ik kreeg te horen dat die niet aanwezig was of zich niet met mijn verdediging wenste te belasten; bij diens ontstentenis verzacht ik om een andere. Het antwoord luidde dat ik genoeg hersens had om mezelf te verdedigen. En inderdaad had ik er meer dan genoeg om mijn onschuld aan te tonen, die voor de publieke tribune onmiskenbaar was. Waarmee ik niet wil ontkennen dat een verdediger de vele diensten en weldaden die ik het volk heb verleend, te mijner gunste had kunnen aanvoeren. Wel twintig keer heb ik mijn kwelgeesten doen verbleken en omdat zij niets wisten in te brengen, telkens wanneer ik iets zei waaruit mijn onschuld en hun kwade trouw bleek, bedreigden zij mij met de dood, uit angst dat het volk zijn stem zou verheffen tegen een onrecht zonder weerga in deze wereld. Vaarwel, mijn zoon, ik zal niet meer zijn wanneer je deze brief ontvangt. Maar bevrijd je geest van het onrecht je moeder aangedaan en de misdaad jegens haar begaan. Ik ga sterven, mijn zoon, mijn geliefde zoon; ik sterf onschuldig. Alle rechten waarop een vrouw, de meest verdienstelijke van haar eeuw, zich kan beroepen, zijn verkracht geworden, (onleesbaar) de wet, blijf mijn niet aflatende overtuiging indachtig. Ik laat het horloge van jouw vrouw achter, met het bewijsje van de bank van lening van haar juwelen, het flesje en de sleutels van de koffers die ik naar Tours heb laten sturen. Uit: Blanc, Olivier, De laatste brief. Authentieke afscheidsbrieven van slachtoffers van de Franse Revolutie. Amsterdam, 1988. p. 139
|