Cécile Quevrin bepleit haar onschuld

In het hospitaal van het Tribunaal, waar zij verbleef vanwege haar zwangerschap, schreef Cécile Quevrin ‘derde kamenierster van mevrouw de Narbonne’ een petitie voor de Conventie waarin zij haar onschuld bepleitte:

Burgers,

Burgeres Cécile Quevrin doer opnieuw een beroep op uw clementie, ik doe dit in naam van het Opperwezen, de gerechtigheid, de menselijkheid en van een ongelukkige vader van negentig jaar oud die ik, na mijn dood, zonder enige bron van inkomsten achterlaat omdat hij volledig van mij afhankelijk is, en ten slotte in naam van een broer die een been verloor in de slag bij Jemmapes, aan wie ik gedurende die zware periode van vijf maanden die hij in het hospitaal van Valenciennes doorbracht, al mijn geld heb besteed

Gisteren hebt u mijn doodvonnis horen uitspreken. U weet hoezeer ik onschuldig ben, als ook dat die ellendige hoedanigheid van vertrouwenspersoon, die ik in elk opzicht ontken, mij in het verderf stort: Wat! een vrouw die elf jaar in dienst is geweest van mevrouw de Narbonne en die zeker meer in haar gunsten viel, wordt met rust gelaten; terwijl ik, omdat ik de stem van mijn goede hart volgde en haar de zorgen verleende die haar leeftijd vereisten verloren ben. Wees er van overtuigd dat ik niet mijn leven betreur, maar mijn ongelukkige vader.

Gisteren toen ik voor het Tribunaal de naam hoorde noemen van degene die gearresteerd is, meende ik da t ik gered was. Ik verklaar dat ik in de rust en kalmte van een volmaakt rein geweten voor u verschenen ben, en toen ik de burgers d'Aine (sic) en Poincelot zag binnenkomen, wist ik zeker dat mij recht zou worden gedaan. Het was als zag ik mijn reddende engelen binnenkomen: ik twijfel er niet aan dat zij voor mij gepleit hebben. Maar ik weet niet door welk noodlot hun stem niet werd gehoord Zoudt u niet, burgers, willen pleiten voor de waarheid om een ongelukkig slachtoffer te redden? Nee, ik durf nog hopen; gerechtigheid en menselijkheid heersen nog steeds. Daar ga ik van uit en op mijn knieën bid ik, wie ook degene mag zijn, burger, die dit papier onder ogen heeft, om op slag naar de Conventie te gaan om deze korte petitie die ik tot hen richt te ondersteunen, om gerechtigheid af te smeken die elke rechtgeaarde republikein toch immer zal betrachten. Ik durf hopen dat deze mij verleend zal worden, iets anders is niet denkbaar. Ik vraag van u slechts een verkondiging van de simpele waarheid dat ik nooit de vertrouwenspersoon van burgeres de Narbonne ben geweest, nooit en te nimmer. Ik vreesde te moeten sterven omdat ik mij bij burgeres de Narbonne heb gevoegd, zes maanden later dan de anderen die ongemoeid blijven: er bestaat slechts dat ellendige misverstand met degene die in Picpus zit. Wil haar, burgeres, (woord onleesbaar), graag zal ik mijn leven aan u te danken weten.

Voorspoed en broederschap.

De afschuw voor de dood heeft mij doen verklaren dat ik zwanger was, daar is niets van waar. Ik ben naar het hospitaal overgebracht. De tijd dringt. Laat mij niet in de steek, wat ik u bidden mag.

Uit: Blanc, Olivier, De laatste brief. Authentieke afscheidsbrieven van slachtoffers van de Franse Revolutie. Amsterdam, 1988. p. 82-83


terug