Fragment uit een rede van 31 October 1790, waarin Mirabeau de "drapeau tricolore" verdedigt boven de witte vlag, die een deel van de Nationale Vergadering op de vloot gehandhaafd wilde zien.

Aangezien ik weet met welk succes een bedrieglijke tactiek in de zitting van gisteren de harten van de tegenstanders der Revolutie heeft doen zwellen, zijn binnen vier en twintig uur, in een nacht, alle denkbeelden dermate aangetast, alle beginselen zoodanig ontaard, miskent men den volksgeest op een wijze, dat men u durft zeggen, in het aangazicht van het volk dat ons hoort, dat er oude vooroordeelen zijn die geŽerbiedigd moeten worden, alsof het niet uw roem was zoowel als de hunne, ze te gronde te zien gaan, deze vooroordeelen die men verdedigt! Dat het de Nationale Vergadering onwaardig is, te hechten aan dergelijke kleinigheden, alsof de taal der uiterlijke teekenen niet overal de machtigste drijfveer der menschen is, het eerste hulpmiddel van patriotten zoowel als van samenzweerders, voor het succes van hun bondgenootschap of voor hun complot! Men durft, in een woord, koelbloedig een taal tegen u te voeren, waarin, wel-beschouwd, nauwkeurig wordt gezegd: "wij gelooven, dat wij sterk genoeg zijn om de witte vlag te hijschen, dat wil zeggen de kleur van de contra-revolutie... in plaats van de hatelijke kleuren der revolutie!" Dit op te merken, is ongetwijfeld interessant, maar het behoeft ons niet te verschrikken. Want dit is zeker, zij hebben te veel verwacht .. (tot de banken der rechterzijde:) Neemt dit van mij aan wiegt u niet in slaap op een zoo gevaarlijke zekerheid, want het ontwaken zou snel en verschrikkelijk zijn! . . .

(Te midden van het applaus en het stemmen-lawaai worden de woorden gehoord: "dat is de taal van een oproerling!")

Weest bedaard, want deze aantijging dient het voorwerp te zijn van een regelmatig twistgesprek. Wij staan in waarheid tegenover elkander. Gij zegt, dat ik de taal voer van een oproerling (verscheidene stemmen van rechts: ja! ja!)...

Mijnheer de Voorzitter! Ik vraag een uitspraak, en ik constateer het feit . . . (lawaai). Ik beweer, ik, dat het is, ik zeg niet oneerbiedig, ik zeg niet strijdig met de constitutie, ik beweer, dat het diep misdadig is, de vraag op te werpen, of de kleur eener vlag, bestemd voor onze vloten, een andere mag zijn dan die, welke door de Nationale Vergadering is gewijd, of een vlag, die aanvaard is door de natie en door den koning, verdacht en verworpen mag zijn! Ik beweer, dat de werkelijke oproerlingen, de werkelijke samenzweerders diegenen zijn, die spreken van de tradities, welke in stand moeten worden gehouden, ons herinnerend aan onze vroegere dwalingen en de ellende van onze vernederende slavernij!

Neen, mijne heeren, neen! hun dwaze inbeelding zal beschaamd worden hun sinistere voorspellingen, hun lasterlijke kreten zullen ijdel blijken! De nationale kleuren zullen wapperen boven de zeeŽn; zij zullen eerbied afdwingen aan alle landen, niet als het teeken van oorlog en overwinning, maar als dat van de heilige broederschap der vrienden van de vrijheid over geheel het aardrijk, en als de schrik van samenzweerders en tirannen!

Copyright ©2001 M. Kropman. Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 27 september 2010