Fragment uit een rede van 28 Februari 1791, waarin Mirabeau de voorgestelde wet tegen de emigré's bestrijdt.

Het ontwerpen van de wet is nooit te vereenigen met het buitensporige van welken aard het ook zijn mag, en zoo is overmaat van ijver even weinig geschikt om een wet voor te bereiden, als elke andere buitensporigheid. Niet uit verontwaardiging moet een wet haar oorsprong nemen; door nadenken en vooral door rechtvaardigheid moet zij gedragen worden. Gij hebt aan uw comité voor het opstellen van de constitutie niet de eer willen bewijzen, die het Atheensche volk deed toekomen aan Aristides, gij hebt niet gewild, dat het zijn eigen rechter zou zijn betreffende de moraliteit van zijn wetsontwerp; maar de onrust, die zich kenbaar maakte in de Vergadering bij het aanhooren van het ontwerp heeft bewezen, da' gij even goede rechters waart over deze moraliteit als Aristides zelf, en dat gij wel gedaan hebt, u het oordeel daarover voor te behouden. Ik wil de Vergadering niet beleedigen door de veronderstelling, dat het noodig zou zijn, aan te toonen, dat de drie voorgestelde artikelen een waardige plaats gevonden zouden hebben in de wetboeken van Draco, maar dat zij nooit thuis zouden hooren in de decreten van de Nationale Vergadering van Frankrijk.

Wat ik misschien zou ondernemen te betoogen, als de discussies leidden naar deze zijde van de kwestie, is, dat de barbaarschheid van de wet die men u voorstelt, tegelijk het beste bewijs is voor haar onuitvoerbaarheid (Van links wordt geprotesteerd; applaus van het andere deel der zaal). Ik zal het ondernemen te bewijzen, en ik zal het doen zoodra de gelegenheid zich aanbiedt, dat geen ander wettelijk optreden—omdat men het predicaat "wettelijk" wil geven, het althans tot nu toe gegeven heeft aan alle afkondigingen, die gedaan zijn door de wettelijke autoriteiten — dat geen enkel wettelijk optreden tegen de emigré's mogelijk is dan door een dictatoriale commissie. Ik ontken in geenen deele, dat er urgente gevallen zijn, dat er critieke omstandigheden bestaan, waarin politiemaatregelen onvermijdelijk zijn, zelfs tegen de heerschende beginselen en de uitgevaardigde wetten in: dat is de dictatuur der noodzakelijkheid. Omdat de maatschappij dan niet anders beschouwd dient te worden dan een al-vermogend man in den natuurstaat, moet deze politie-maatregel genomen worden, daarover bestaat geen twijfel. Het wetgevende lichaam nu moet de wet uitvaardigen; vandaar dat dit voorstel de sanctie zal hebben ontvangen van den controleur der wet of den hoogsten chef der maatschappelijke politie' geen twijfel of deze politioneele maatregel is ook geheiligd, even legitiem, even verplicht als elke andere maatschappelijke ordonnantie. Maar tusschen een politioneele maatregel en een wet is een enorm verschil; en gij moet dat voelen, ook zonder dat ik het nader behoef uiteen te zetten.

Mijne heeren, de wet op de emigratie is, ik herhaal het, een zaak, die uw macht te buiten gaat; vooreerst omdat zij onuitvoerbaar is, dat wil zeggen iets onmogelijks; en het gaat uw verstand te boven een wet uit te vaardigen die gij niet kunt doen uitvoeren, en ik verklaar, dat ik zelf, bij het uitgebreidste onderzoek naar de wereldlijke macht, ervaren heb, door een reeks van uitkomsten in alle historie, in alle tijden en bij alle regeeringen, dat, ondanks de meest tyrannieke toepassing, een wet tegen de emigré's altijd onuitgevoerd is gebleven, omdat zij altijd onuitvoerbaar was. Een politioneele maatregel, ingesteld en tot uitvoering gebracht door een wettelijke autoriteit is zonder twijfel in uw macht.

Het zou nog te onderzoeken zijn, of het op uw weg ligt, dat wil zeggen, of het nuttig en behoorlijk is, of gij, anders dan door de bescherming der wetten, anders dan door de attractie van de vrijheid alleen, de menschen in Frankrijk terugroept en terughoudt. Want, nog eens, uit het feit, dat gij een maatregel moet nemen, volgt niet, dat gij op een politie-maatregel moet steunen. Het is dus een heel andere kwestie, en als ik op dit punt doorging, zou ik het niet meer hebben over dezelfde zaak. De kwestie is, te weten of het ontwerp dat door het comité wordt voorgesteld, voor beraadslaging vatbaar is, en dat ontken ik. Ik ontken het, en ik verklaar dat ik, en daar zweer ik op, naar mijne persoonlijke overtuiging (en ik vraag die uiteen te mogen zetten, zoodra ik er de gelegenheid toe zie) ontbonden zou zijn van iederen eed van trouw tegenover hen, die de onbeschaamdheid zouden hebben om een dictatoriale inquisitie te vestigen.

Dit staat vast: de populariteit, waar ik naar gestreefd heb, en die mij ten deel is gevallen gelijk geen ander, is niet een zwak rozenstruikje; het is een eik, waarvan ik de wortels wil grondvesten diep in de aarde, dat wil zeggen in de onaantastbare beginselen van rede en rechtvaardigheid. Ik zou onteerd zijn in mijn eigen oogen, als ik, in eenig oogenblik van mijn leven, ophield met dit recht terug te stooten, het voorgewende recht om een wet van dit soort uit te vaardigen. Laten wij elkaar goed verstaan: ik zeg niet "een voorloopigen maatregel uitvaardigen", ik zeg niet "steunen op een politioneelen maatregel", maar een wet maken tegen de emigratie en de emigré's. Ik zweer, dat ik er in geen enkel geval aan gehoorzamen zou, als zij uitgevaardigd werd. Ik heb de eer, u de volgende motie voor te stellen:

"De Nationale Vergadering, gehoord het rapport van het Comité voor de Constitutie, overwegend dat geen enkele wet betreffende de emigratie in overeenstemming is te brengen met de beginselen van haar samenstelling, gaat over tot de orde van den dag."

Copyright ©2001 M. Kropman. Alle rechten voorbehouden.
Laatst bijgewerkt: 27 september 2010