De rechten van de mens in de samenleving zijn vrijheid gelijkheid, veiligheid en eigendom.
De vrijheid bestaat erin te mogen doen hetgeen aan de rechten van een ander geen schade toebrengt.
De gelijkheid bestaat hierin dat de wet dezelfde is voor iedereen, hetzij in het beschermen, hetzij in het straffen. De gelijkheid kent geen onderscheid van geboorte en geen erfenis van machten.
De veiligheid volgt uit de samenwerking van allen om de rechten van elk in 't bijzonder te verzekeren.
De eigendom is het recht zijn goederen, zijn inkomsten, de vruchten van zijn arbeid en van zijn kennis te gebruiken en over te dragen.
De wet is de algemene wil, uitgedrukt door de meerderheid hetzij van de burgers hetzij van hun vertegenwoordigers.
Hetgeen door de wet niet verboden is mag niet belet worden. Niemand mag gedwongen worden te doen hetgeen deze wet niet beveelt.
Niemand mag voor de rechtbank gedaagd, beschuldigd, gearresteerd noch vastgehouden worden dan in gevallen, door de wet bepaald en volgens de wijze door deze voorgeschreven.
Elke belasting wordt opgelegd voor het gemeenschappelijk nut; zij moet onder allen, die deze moeten opbrengen, verdeeld worden in evenredigheid met hun middelen.
Het oppergezag berust geheel bij de gemeenschap der burgers.