De rol van de revolutionaire clubs

Het begrip club kwam vanzelfsprekend uit Engeland, maar in het revolutionaire Frankrijk kreeg het algauw de betekenis van een centrum van politieke agitatie. De bekendste club is die van de jakobijnen, die begon als een genootschap (officieel: Société des amis de la Constitution - ‘Genootschap van vrienden van de Grondwet’) van uit Bretagne afkomstige leden van de Staten-Generaal en de rationale vergadering in Versailles. Toen het hof in oktober 1789 naar Parijs werd gehaald, verhuisde deze club, met de volksvertegenwoordiging, eveneens naar Parijs en nam zijn intrek in een gebouw van het kloostercomplex - een van de vele in Parijs - van de jakobijnen (de Franse dominicanen). Door zich open te stellen voor radicale Parijzenaars kreeg deze centraal gelegen club (aan de rue de Saint-Honoré) een grote invloed op de Parijse bevolking. Bovendien werd deze ‘moederclub’ het middelpunt van een netwerk van clubs in de ‘provincie’; het waren er ten slotte meer den vijfduizend!

Het zwakke punt van de andere beroemde politieke groepering, de Girondijnen, was dat zij niet beschikten over een ‘club’. Zij vormden veeleer een groep van mensen (mannen, maar ook enige vrouwen) die elkaar kenden endie een bepaalde politieke lijn volgden (bijvoorbeeld op het punt van hun oorlogszuchtigheid, eind 1791 en begin 1792). Om in een crisissituatie als die van mei/juni 1793 en tegen zulke harde tegenstanders als de radicale jakobijnen, alias montagnards (de Montagne of Bergpartij) te overleven, was dit echter te weinig. Verschillenden van deze Girondijnen maakten indruk door hun idealisme en hun welsprekendheid, en met name de negentiende eeuwse Franse burgerij was geneigd hen als verlichte ‘liberalen’ te vereren en te idealiseren.

Later onderzoek heeft aan dit mooie beeld (Lamartine!) afbreuk gedaan en bijvoorbeeld enige twijfelachtige aspecten van het voor-revolutionaire leven van hun voorman Brissot boven water gehaald. Brissot is overigens zelf nog lange tijd in de club van de jakobijnen opgetreden. De naam Girondijnen, die suggereert dat deze mensen allen uit het gebied van de Gironde afkomstig zouden zijn, berust ook op een misverstand. Wel vertegenwoordigden de Girondijnen in veel opzichten de gematigde en vaak ook welvarender burgerij buiten Parijs die in 1793, na de ‘val’ van de Girondijnen, in verschillende steden in opstand kwam tegen de Parijse dictatuur.

De in april 1790 gestichte club van de cordeliers (wederom naar een klooster in de rue de Saint-Honoré genoemd) was vanaf het begin een typisch Parijse, populaire, radicale en fel tegen de koning gekante club; vooral Marat en Danton hadden hierin hun aanhang. De invloed van Marat berustte ook op zijn eigen krant l’Ami du Peuple, waarin hij methodisch en hard opkwam voor een radicalisering van de revolutie, ook op sociaal gebied. Er bestond trouwens over het algemeen een nauwe band tussen de revolutionaire pers ( in de vorm van de talloze kleine en goedkoop gedrukte krantjes) en de verschillende clubs; iedere politieke voorman had zijn eigen krant tot zijn beschikking, waarin zijn redevoeringen werden afgedrukt en zijn artikelen geplaatst. In deze kranten ken men ook de strijd op - letterlijk - leven en dood tussen de bekende figuren van de revolutie volgen.

Ook de van de jakobijnen afgescheiden club van de feuillants dankte zijn naam aan een klooster in de rue de Saint-Honoré. Deze betrekkelijk conservatieve en deftige club bestond maar een jaar, vanaf juli 1791 - toen men zich tegen de jakobijnse agitatie voor een afzetting van de koning kantte - tot aan 10 augustus 1792, toen het paleis werd bestormd. In deze Société des amis de la Constitution, zoals men zich - naar de oorspronkelijke naam van de club! - noemde, speelde vooral La Fayette een rol; in de augustusmaand van 1792 was zijn toch al zo omstreden rol van revolutionair edelman uitgespeeld.

De vrouwen hebben haar eigen clubs gehad, ook buiten Parijs (onder andere in Bordeaux en Dijon). In Parijs ontstond in mei 1793 een Société des republicaines revolutionnaires, die zich demonstratief en heftig liet gelden, onder andere op de tribunes van de Conventie. Vanwege het ongenoegen onder de jakobijnen, die over het algemeen niets moesten weten van vrouwelijke agitatie, werd de club al spoedig gesloten.

Uit: Janssen Perio, E.M., Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kaïn en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie. Baarn, 1989, p.101-102
 


terug