Robespierre doet een zelfmoordpoging

Parijs, '7 juli 1794

Door de aanvoerder van anti-Robespierrefactie Paul de Barras

De samenzweerders waren bang geworden. Het voorbeeld van enige afvalligen werkte aanstekelijk. Van tijd tot tijd zond ik geruststellende berichten aan de conventie. Mijn klein leger met de weinige kanonnen behield het veld zonder tegenstand. Ik ging naar het stadhuis; Merlin de Thionville was er reeds. Robespierre had met een van de twee pistolen van Le Bas zijn kaak stukgeschoten. Le Bas had met het andere zelfmoord gepleegd. Couthon was onder een tafel weggekropen, Robespierre zat in een kamertje, waarvoor Le Bas lag. Saint-Just verzorgde Robespierre. Henriot zat in een privaat. Ik kon het gezicht niet verdragen en ging weg, maar ik liet Robespierre naar de zaal van het comité voor het openbare welzijn brengen en daar op een tafel leggen. Artsen onderzochten en verbonden hem; naar hun mededeling was de wonde door een poging tot zelfmoord ontstaan. Tanden van Robespierre die onder het verbinden uit zijn kaak waren gevallen lagen op de tafel; een kanonnier, die daar toevallig voor zijn dienst aanwezig was, nam de tanden en riep hem daarbij toe: 'Ha, misdadiger, ik bewaar ze als aandenken aan mijn afschuw!'

Er werd mij gemeld dat Robespierre meermalen om een pen had gevraagd. Hij wilde schrijven, daar hij niet kon spreken. Maar het comité had dit verzoek geweigerd. Of het waar is, weet ik niet. Ik zou hem dit zeker niet geweigerd hebben. Misschien was men op deze manier nog iets te weten gekomen, wat men nog niet wist en niet weten mocht. Het verloop van de gebeurtenissen zowel als Robespierres papieren maakt overigens niet aannemelijk dat hij een gewichtig geheim in de dood heeft meegenomen. Acht dagen later droeg de tafel in de kamer waarop Robespierre had gelegen, nog bloedsporen. Welk een onoplettendheid en welk een wrede oplettendheid van zijn lieve collega's! Alle gevangenen werden naar de gevangenis gezonden ; ik wilde toentertijd Couthon naar het hospitaal laten brengen, maar de tijden waren er weinig naar menselijk te zijn en hoeveel minder tegenover mensen die ten dode opgeschreven, in de volgende uren misschien aan de dood zouden overgeleverd worden.

Op de tiende thermidor veroordeelde de revolutionaire rechtbank Robespierre en zijn medeschuldigen ter dood, of liever ze bepaalde de tijd ervoor, aangezien voor buiten de wet gestelden geen veroordeling meer nodig was, slechts een vaststelling van de identiteit. Twee dagen later trof de leden van de algemene raad van de commune, die bij de samenzwering op de voorgrond waren getreden, hetzelfde lot.


terug