Rousseau over de meerderheid die de volkswil uitdrukt

De stem van het grootste aantal bindt steeds de anderen ... Maar men vraagt zich af hoe een mens vrij kan zijn en toch gedwongen zich te voegen naar de wil die niet de zijne is! Hoe zijn de tegenstanders vrij en tevens onderworpen aan de wetten welke zij niet hebben gestemd? Hierop antwoord ik dat de vraag slecht gesteld is. De burger gaat accoord met alle wetten, zelfs met die welke men zonder zijn goedkeuring oplegt, bovendien ook met die welke hem straffen wanneer hij overtredingen begaat. De bestendige wil van al de leden van de staat is de algemene wil; het is door deze wil dat zij burgers en vrije lieden zijn. Wanneer men in de volksvergadering een wet voorstelt, vraagt men niet of zij het voorstel goedkeurt of verwerpt maar of dat overeenstemt met de algemene wil ...: iedereen die stemt geeft daarover zijn mening; en uit de berekening der stemmen wordt de verklaring van de algemene wil afgeleid. Wanneer bijgevolg die mening tegengesteld is aan de mijne dan bewijst dat niets anders dan dat ik me vergist heb en dat wat ik dacht dat de algemene wil zou zijn, dit niet was ... Dit alles veronderstelt ... dat de algemene wil vervat is in de meerderheid.

Uit: Jean Jacques Rousseau, Le Contrat Social. 1762

terug