Rousseaus Le contrat social, eveneens van 1762, is het boek dat de schrijver voor de
autoriteiten op de vlucht heeft doen slaan. Het bepleit de democratie en bestrijdt het
goddelijk recht van koningen, en dat in een tijd waar koningen nog (net) ruimschoots over
die goddelijke rechten beschikten. En dat gold dan zeker voor de Franse vorsten.
Het is typisch voor Rousseau, dat hij, waar hij op het eerste gezicht dus de democratie
hoog in het vaandel heeft staan, op dit punt ook verwant lijkt aan bijvoorbeeld Locke en zichzelf nota bene afficheert als een vrij "burger van de
stad Genève", in de praktijk bedenkelijk dicht bij een totalitair soort samenleving
komt.
Locke gaat ervan uit dat de mens een redelijk denkend wezen is, dat zichzelf heel wel kan
besturen zonder een soort dictatuur van bovenaf. Locke staat daarmee tegenover Hobbes, ook
een Engels filosoof.
Hobbes was van mening dat vrijheid de mens er alleen maar toe zou
brengen zijn naaste te schaden (homo homini lupus: de mens is voor de mens een wolf).
Weliswaar is de mens gelijk, maar de enige manier om aan de strijd te ontkomen die in elke
ongeorganiseerde gemeenschap van nature bestaat, is de vorming van een staat met een sterk
gezag dat de vrijheden van het individu waarborgt. Locke is in zekere zin een optimist,
Hobbes een pessimist. Locke lijkt eerder een voorloper van het liberalisme en het
socialisme, Hobbes lijkt een representant van de vorm van Christendom die er zonder meer
van uitgaat dat de mens in aanleg slecht is.
Ook Rousseau erkent dat er in het ontwikkelingsproces dat een natuurstaat doormaakt een
moment optreedt, waarop het voor het zelfbehoud van de mens noodzakelijk is zich te
verenigen tot een gemeenschap. Hoe dat te doen en toch vrij te blijven? Dat is de vraag
waarop Le contrat social antwoord geeft.
De oplossing voor het probleem is gelegen in het contract uit de titel. Het contract komt
neer op een totale overgave aan de gemeenschap van iedere aangeslotene met al zijn
belangen. Dan namelijk zijn de voorwaarden van deelneming voor iedereen gelijk.
Natuurlijke ongelijkheid is onvermijdelijk, maar sociale ongelijkheid is de vrucht van een
onnatuurlijke situatie en moet dus worden opgeheven.
In wezen gaat het bij het contract om een volkomen prijsgeven van de vrijheid, zij het dat
iedere deelnemer bepaalde natuurlijke rechten behoudt. De gemeenschap mag aan het individu
geen plichten opleggen, die voor de gemeenschap niet van nut zijn.
De wil van de souverein (dwz. de gemeenschap) is altijd juist en is de algemene wil.
Iedere burger heeft deel aan die algemene wil, maar kan als individu een wil hebben die
ingaat tegen de algemene wil. Het contrat social houdt in dat iedereen die weigert te
gehoorzamen aan deze algemene wil, wordt gedwongen. Hij wordt gedwongen "vrij te
zijn."
Russell wijst erop dat een dergelijk systeem in de praktijk neerkomt op de corporatieve
staat, waarin alles wat strijdig is met de belangen van die staat verboden is
(vakverenigingen, politieke partijen, etc). De Sowjet-Unie oude stijl en Hitler-Duitsland
zouden vruchten van zo'n filosofie kunnen zijn, zegt Russell. Dat het boek de bijbel werd
van de Franse revolutie lijkt hem dan ook een misverstand.
Maar misschien is enige nuancering wel op zijn plaats. Het valt aan te nemen dat Rousseau
(die in zijn werk voortdurend meedeelt dat het grootste kwaad het kwaad is dat men een
ander aandoet) zelf ook gegruwd zou hebben van een dergelijke staatsvorm.
6. Fragment uit Le Contrat social