Jean Jacques Rousseau

1. Leven

2. Reputatie

3. Vroegwerk

4. Emile ou l’ éducation

In 1760 publiceert Rousseau een roman, La nouvelle Heloise en in 1762 verschijnen van zijn hand zowel Emile, ou de l'éducation als Le contrat social.

In de tijd dat Rousseau huisonderwijzer is, schrijft hij voor de moeder van één van zijn pupillen, ene mevrouw de Chenonceaux (haar kasteel in de Loire-streek kan heden ten dage nog worden bezichtigd), een artikel van enkele bladzijdes over de opvoeding. Dat is in 1740. Na zijn Nouvelle Héloise besluit Rousseau het artikel te bewerken. Wat tenslotte ontstaat is de Emile, een studie van ruim zeshonderd bladzijdes, waarin nu en dan, tussen veel getheoretiseer door, een jongetje opduikt dat als voorbeeld wordt gebruikt om bepaalde problemen met betrekking tot de praktische opvoeding te verhelderen. Hoe oud Emile precies is, wordt eigenlijk niet duidelijk, zoals Emile zelf toch maar niet van vlees en bloed wil worden. Bij vlagen is het boek weliswaar heel leesbaar en zeer boeiend, maar als geheel is het chaotisch en tamelijk vervelend.
In sommige opzichten is de Emile bovendien allesbehalve origineel; de opvoeding is een onderwerp dat al sinds het einde van de zeventiende eeuw nu eenmaal in de mode is. Locke heeft er bijvoorbeeld over geschreven, en De Buffon, maar er verschijnen in deze tijd honderden boeken over hetzelfde onderwerp. In het eerste boek van Emile schrijft Rousseau over de door hem verfoeide opvoedingsgebruiken. 
Hoewel dergelijke gebruiken inderdaad nog door sommige auteurs werden gepropageerd, is Rousseaus protest op dit punt nauwelijks origineel. Tal van opvoedingsdeskundigen hadden voor hem al hetzelfde gedaan. Rousseaus originaliteit ligt elders en komt voort uit een soort filosofische vooronderstelling, een premisse, die hij maakt (en die hij onder andere in Le contrat social uitwerkt).
Moderne christenen zullen nog maar zelden geloven in godsbewijzen. Maar in de zeventiende en achttiende eeuw waren godsbewijzen een normale zaak. Iemand als Descartes (toch een rationalist, de man van: ik denk, dus ik ben) meende het bestaan van God op logische wijze bewezen te hebben. Er waren zelfs theoretici die er prat op gingen dat ze de precieze datum waarop God onze aardbodem heeft geschapen hadden vastgesteld. Gelovigen uit onze tijd hebben daar vermoedelijk enige moeite mee. Darwins evolutietheorie (van 1857) zal daar niet vreemd aan zijn. Christenen uit onze tijd baseren hun geloof in God op de menselijke natuur, op ontzag, inspiratie of mysterie. Rousseau was de eerste die het bestaan van God op deze manier verdedigde.
Hij stelt dat de regels voor het levensgedrag niet worden afgeleid uit de filosofie, maar uit het hart, waar de natuur ze als het ware in heeft gegrift. Het geweten is op die manier een onfeilbare gids. Als de mens deugdzaam wil zijn, moet hij het hart volgen, niet de rede. Zo spreekt Rousseau ook over een natuurlijke godsdienst, die aan iedere mens rechtstreeks in het hart wordt geopenbaard. De kerk van Rousseau is dan ook niet de officiële kerk; en de verlossing blijft niet voorbehouden aan de leden van dat instituut. Het zal duidelijk zijn dat de Kerk ten tijde van Rousseau niet blij was met dit idee.
Ook als het gaat om de opvoeding stelt Rousseau het hart en de natuur tegenover het verstand en de kennis. Net als Locke gelooft Rousseau dat de zeer jonge mens nooit slecht is. Locke meende dat de mens bij zijn geboorte volstrekt "leeg" is. Dat is die zo bekende tabula rasa, het onbeschreven blad. Locke gelooft niet in het bestaan van erfelijke eigenschappen. Erfelijkheidstheorieën dateren pas uit de negentiende eeuw. Rousseau gelooft dat iemand pas slecht is wanneer zijn intenties niet deugen, en een kind heeft, afgezien van instincten die zijn gericht op het levensbehoud, geen intenties en kan dus ook niet slecht zijn. Jonge kinderen zijn hoogstens lastig, en dat is geen probleem. 
Rousseau was, waar het om de klassiek oudheid ging dat zal je na het voorgaande nauwelijks verbazen een groot bewonderaar niet van Athene, maar van Sparta. Tegelijkertijd is zijn aanpak van lastige kinderen een goed voorbeeld van Rousseaus praktische opvoedingsinstructie. Slecht kunnen kinderen volgens Rousseau pas worden op een later tijdstip
Rousseau wijst erop dat kinderen als zij verplichtingen aangaan, absoluut geen weet hebben van hetgeen ze doen. 
Hier blijkt een van de belangrijkste principes van Rousseaus opvoeding: terughoudendheid. In de Emile zegt Rousseau het keer op keer. De opvoeder dient alleen te begeleiden, zo weinig mogelijk in te grijpen en dan enkel, als het niet anders kan. 

Wat een kind slecht kan maken, is volgens Rousseau kennis, maar dan wel kennis die het niet nodig heeft of waar het niet zelf om heeft gevraagd. Dat is dan ook wat Rousseau tegen heeft op wetenschap. Het kind kan enkel leren vanuit de ervaring. Kennis zonder de bijbehorende ervaring waar ze op is gebaseerd, is niet alleen zinloos, ze is schadelijk. En wetenschap is bijna per definitie kennis zonder ervaring, ze is theorie.  

5. Le contrat social

6. Fragment uit Le Contrat social

terug