Jean Jacques Rousseau (1712-1778) over de opvoedingsgebruiken van zijn tijd

Heel onze wijsheid bestaat uit slaafse vooroordelen; al onze gebruiken zijn niet meer dan onderworpenheid, hinder en dwang. De burgerlijke mens (l'homme civil) wordt geboren, leeft en sterft in slavernij: bij zijn geboorte wikkelt men hem in windselen, bij zijn dood nagelt men hem in een kist: zolang hij eruit ziet als een mens is hij door onze instituties geketend. Men zegt dat sommige vroedvrouwen menen door het hoofd van de pasgeborenen te kneden er een betere vorm aan geven, en men staat het toe! Onze hoofden zoals de schepper ze heeft gevormd, deugen niet: ze moeten van buiten worden gevormd door vroedvrouwen, en van binnen door de filosofen. De bewoners van het Caraïbisch gebied zijn twee keer zo gelukkig als wij.
Het kind heeft ternauwernood de schoot van de moeder verlaten, en geniet nog maar net de vrijheid de ledematen te bewegen en te strekken, of men geeft het nieuwe banden. Men wikkelt het in, men legt het neer met het hoofd vast, de armen langs het lichaam; het is omwonden door kledingstukken en banden van allerlei soort, die het hem onmogelijk maken zijn positie te veranderen. Het is nog een geluk als het niet zo strak is ingewikkeld dat het verhinderd wordt adem te halen (...).

Uit: Rousseau, Oeuvres complètes IV, Pleiade, Emile ou de l'éducation p. 253/254

terug