Uw onhandelbare kind vernielt alles wat het aanraakt: maak u niet boos. Breng wat breekbaar is buiten zijn bereik. Hij maakt voorwerpen kapot waarvan hij zich bedient; haast u zich niet ze te vervangen; laat hem de nadelen voelen van het gemis. Hij breekt de ruiten van zijn kamer; laat de wind dag en nacht naar binnen waaien zonder u druk te maken over reumatiek; het is beter dat hij reumatisch wordt dan gek. Beklaag u niet over het ongemak dat hij veroorzaakt, maar zorg ervoor dat hij er als eerste last van heeft. (...) Tenslotte laat u nieuwe ruiten inzetten, nog steeds zonder iets te zeggen. Hij breekt ze weer. Verander uw aanpak; zeg hem koel, maar zonder woede: die ruiten zijn van mij. Ze zijn er ingezet dankzij mijn zorg, ik wil ze heel houden; daarna sluit u hem op in het donker op een plaats waar geen vensters zijn. Bij die zo nieuwe handelwijze begint hij te gillen en te keer te gaan; niemand luistert naar hem. Hij kalmeert al gauw en gooit het over een andere boeg. Hij klaagt, hij kreunt; een huisknecht dient zich aan, de rebel smeekt te worden bevrijd. Zonder verdere uitvluchten te zoeken, antwoordt de huisknecht: ik moet ook om de ruiten denken, en gaat weg. Tenslotte zal iemand hem, na verloop van een paar uur, lang genoeg om zich te gaan vervelen en tot nadenken gebracht te worden, suggereren u een overeenkomst voor te stellen waarbij ù hem de vrijheid geeft en hìj geen ruiten meer breekt. Hij zal vragen u te laten komen, u komt, hij doet u zijn voorstel, u accepteert dat onmiddellijk en zegt: dat heb je keurig bedacht, daar hebben we allebei voordeel bij, dat we dat goeie idee niet eerder hebben gehad.
Uit: Rousseau, Oeuvres Complètes, IV, Ed. Pleiade, Gallimard, 1969, Emile, p. 333