De toekomst bestaat voor hen niet. Als het de zweep kan vermijden of een zak snoep kan
verkrijgen door te beloven zich morgen uit het raam te werpen, zal het dat onmiddellijk
doen. (...) Het kind, dat niet weet wat het doet als het zich ergens toe verplicht, kān
daarbij dus niet liegen. Hetzelfde geldt als het gaat om het houden van een gedane
belofte, wat een soort leugen met terugwerkende kracht is, want het weet weliswaar heel
goed dat het de belofte gedaan heeft, maar wat het niet ziet, is het belang haar te
houden. (...) Daaruit volgt dat kinderleugens het werk zijn van hun meesters, en dat wie
hun de waarheid wil leren spreken, hen alleen leert liegen. Vanwege de noodzaak die men
voelt hen aan te passen, hen te besturen, te onderwijzen, vindt men nooit genoeg
instrumenten om dat ook tot een goed einde te brengen. Men wil een andere draai geven aan
hun geest door stellingen zonder grond, door voorschriften zonder rede en men heeft liever
dat ze hun lesje leren en liegen, als dat ze onwetend blijven en oprecht.
Wij, die aan onze pupillen enkel praktische lessen geven en die liever zien dat ze goed
zijn dan geleerd, wij eisen van hen geen waarheid die voortkomt uit een angst die ze
verbergen, en we laten ze niets beloven wat ze niet geneigd zijn ook na te komen. Als er
in mijn afwezigheid een euvel is geschied waarvan ik niet weet wie de dader is, waak ik er
wel voor Emile te beschuldigen en hem te zeggen: was jij het? Want wat zou ik daarmee
anders doen dan hem te leren ontkennen. (...) Zo vormt het kind zichzelf en wordt niet
bedorven.
Uit: Rousseau, Oeuvres Complčtes, IV, Ed. Pleiade, Gallimard, 1969, Emile, p. 336/337