Jean Jacques Rousseau (1712-1778) over de manier waarop kinderen leren

De toekomst bestaat voor hen niet. Als het de zweep kan vermijden of een zak snoep kan verkrijgen door te beloven zich morgen uit het raam te werpen, zal het dat onmiddellijk doen. (...) Het kind, dat niet weet wat het doet als het zich ergens toe verplicht, kān daarbij dus niet liegen. Hetzelfde geldt als het gaat om het houden van een gedane belofte, wat een soort leugen met terugwerkende kracht is, want het weet weliswaar heel goed dat het de belofte gedaan heeft, maar wat het niet ziet, is het belang haar te houden. (...) Daaruit volgt dat kinderleugens het werk zijn van hun meesters, en dat wie hun de waarheid wil leren spreken, hen alleen leert liegen. Vanwege de noodzaak die men voelt hen aan te passen, hen te besturen, te onderwijzen, vindt men nooit genoeg instrumenten om dat ook tot een goed einde te brengen. Men wil een andere draai geven aan hun geest door stellingen zonder grond, door voorschriften zonder rede en men heeft liever dat ze hun lesje leren en liegen, als dat ze onwetend blijven en oprecht.
Wij, die aan onze pupillen enkel praktische lessen geven en die liever zien dat ze goed zijn dan geleerd, wij eisen van hen geen waarheid die voortkomt uit een angst die ze verbergen, en we laten ze niets beloven wat ze niet geneigd zijn ook na te komen. Als er in mijn afwezigheid een euvel is geschied waarvan ik niet weet wie de dader is, waak ik er wel voor Emile te beschuldigen en hem te zeggen: was jij het? Want wat zou ik daarmee anders doen dan hem te leren ontkennen. (...) Zo vormt het kind zichzelf en wordt niet bedorven.

 

Uit: Rousseau, Oeuvres Complčtes, IV, Ed. Pleiade, Gallimard, 1969, Emile, p. 336/337

 

terug