Als een domoor van een huisonderwijzer die niet weet hoe hij het moet aanpakken, hem op
elk moment van alles laat beloven, zonder onderscheid, zonder keus, zonder maat, dan zal
het kind geërgerd en belast door al die beloftes ze verwaarlozen, vergeten, ze minachten
en ze tenslotte beschouwen als even zovele nietszeggende formules en er een spel van maken
ze te doen en te verbreken.
Hetzelfde geldt op tal van andere terreinen. Terwijl het lijkt alsof men hen de deugd
predikt, leert men hen ondeugden lief te hebben. Men brengt ze hun bij, terwijl men hun
het recht ontzegt ze erop na te houden. Wil men hen vroom maken? Men neemt hen mee naar de
kerk om er zich te vervelen; door hen zonder ophouden gebeden te laten prevelen, zorgt men
ervoor dat ze verlangen naar het geluk nooit meer tot God te hoeven bidden.
Uit: Rousseau, Oeuvres Complètes, IV, Ed. Pleiade, Gallimard, 1969, Emile, p. 337