Om fouten te verbeteren of te voorkomen heeft het de ervaring nodig. (...) De eerste
keer dat het kind een stok ziet die half onder water ligt, ziet het een gebroken stok; die
waarneming is juist, en ze blijft het (...) Maar als het, bedrogen door zijn oordeel,
verder gaat en, na te hebben vastgesteld dat het een gebroken stok ziet, ook nog volhoudt
dat het echt een gebroken stok ěs, zegt het iets wat onjuist is: waarom is dat? Omdat het
(...) niet langer oordeelt door onderzoek, maar door inductie, en vaststelt wat het niet
voelt (...). Aangezien al onze fouten voortkomen uit onze oordelen, is het duidelijk dat
als we nooit moesten oordelen, ook niets hoefden te leren, en ons evenmin ooit zouden
vergissen. We zouden in onze onwetendheid veel gelukkiger zijn dan we met al onze kennis
kunnen wezen. Wie zal ontkennen dat de geleerde duizenden ware dingen weet waar de
onwetende nooit achter zal komen. Zijn de geleerden daardoor dichter bij de waarheid?
Integendeel; ze verwijderen zich ervan terwijl ze vorderen (...). Het is volstrekt
duidelijk dat de geleerde genootschappen in Europa alleen maar publieke leerscholen van de
leugen zijn; en het staat vast dat er in de Academie van wetenschappen heel wat meer
fouten worden gemaakt dan door het hele volk van de Hurons.
Aangezien mensen zich vaker vergissen, naarmate ze meer weten, is de beste methode om
fouten te vermijden, de onwetendheid. Oordeel niet en u vergist zich nooit. Dat is de les
van zowel de natuur als het verstand. (...) Maar helaas gaat dat adagium niet meer op.
Alles is voor ons van belang sinds we van alles afhankelijk zijn geworden, en onze
belangstelling breidt zich noodzakelijkerwijs uit met onze behoeftes. Daarom geef ik die
zo veel aan de filosoof en zo weinig aan de wilde. De een heeft niemand nodig, de ander
iedereen, vooral bewonderaars.
Uit: Rousseau, Oeuvres Complčtes, IV, Ed. Pleiade, Gallimard, 1969, Emile, p. 482/483