Het vroege werk van Jean Jacques Rousseau

1. Leven

2. Reputatie 

3. Vroegwerk

Rousseau verwerft pas bekendheid als hij met zijn "Discours" van 1750 (verhandeling) reageert op een prijsvraag, uitgeschreven door de Académie van Dyon voor de "prix de morale": zijn kunsten en wetenschappen heilzaam geweest voor de mensheid? (Si le rétablissement des sciences et des arts a contribué à épurer les moeurs) In zijn Confessions vertelt hij hoe hij de betreffende opdracht leest in de Mercure de France, als hij op weg is naar Vincennes, waar op dat moment Diderot gevangen wordt gehouden vanwege zijn publikaties in de Encyclopédie.
Rousseau antwoordt ontkennend. Wetenschap en deugdzaamheid zijn niet te verenigen. Alle wetenschap is van onedele herkomst, de sterrenkunde uit de astrologie, de natuurkunde uit de nieuwsgierigheid, de ethiek uit de menselijke trots. De edele wilde, van alle vooruitgang gespeend, is een benijdenswaardig wezen.
Rousseaus "Verhandeling over de ongelijkheid" van 1754 is opnieuw een reactie op een prijsvraag, wederom die van de Académie van Dyon: Quelle est l'origine de l'inégalité parmi les hommes, et si elle est autorisée par la loi naturelle?
Eigenlijk is dit artikel een uitwerking van zijn Discours van 1750. Volgens Rousseau is de mens van nature goed, maar is hij bedorven door de bestaande instellingen. In een natuurstaat zou de mens volgens de natuurwet leven, dwz. in vrede met zijn medeschepselen. Natuurlijke ongelijkheid (waar het gaat om bijvoorbeeld leeftijd, gezondheid en verstand) is onvermijdelijk, maar de maatschappelijke ongelijkheid die kenmerkend is voor de burgerlijke maatschappij, vindt haar oorsprong in persoonlijk bezit. Om het kwaad dat vooral in Europa om zich heen heeft gegrepen te verhelpen, moet er afstand worden gedaan van de beschaving. Dan pas zal de mens in vrede met de natuur leven.
Rousseau zond zijn geschrift aan Voltaire. Die antwoordde middels een publieke brief in de reeds genoemde Mercure de France (1755). Russell citeert uit het zo befaamde epistel:

Ik heb uw nieuwe boek tegen het menselijk ras ontvangen en ben er u dankbaar voor. Nooit werd zoveel schranderheid besteed om ons allen dom te maken. Wanneer men uw boek leest, krijgt men de behoefte om op handen en voeten te gaan lopen. Maar ik ben dat nu al meer dan zestig jaar verleerd en gevoel mij ongelukkigerwijs niet meer in staat om het weer aan te leren. Evenmin kan ik op zoek gaan naar de Canadese wilden, aangezien de kwalen, waartoe ik ben veroordeeld, een Europees geneesheer onmisbaar voor mij maken, omdat er in die gebieden oorlog woedt, en omdat ons voorbeeld de wilden vrijwel even slecht heeft gemaakt als wijzelf zijn.

Russell voegt er in zijn Geschiedenis der westerse filosofie aan toe: Het behoeft niet te verwonderen dat Rousseau en Voltaire tenslotte ruzie kregen met elkander; het enige verbazingwekkende is, dat dit niet eerder geschiedde. Wat Russell niet vermeldt, maar wat wel licht werpt op Rousseaus karakter, is diens vriendelijke antwoord aan Voltaire, die op dat moment zijn toevlucht heeft gezocht in Genève, Rousseaus geboorteplaats:

(...) een eer die u mijn geboorteland bewijst. Ik deel de dankbaarheid van mijn medeburgers en ik hoop dat die alleen maar zal groeien wanneer zij zullen hebben geprofiteerd van het onderricht dat u hun kunt geven. Verlicht een volk dat uw lessen waardig is (...)

In januari 1759 zal Voltaire nog een keer reageren op Rousseau. Dan verschijnt in antwoord op een brief over de voorzienigheid van Rousseau Voltaires parodie Candide. Al in 1757 is in de Encyclopédie d'Alemberts artikel over Genève verschenen, ook een beetje als een steek onder water naar Rousseau. Het is goed te bedenken dat waar Rousseau tegenwoordig, vooral in schoolboeken, wordt gekarakteriseerd als een verlichtingsfilosoof, hij door veel persoonlijkheden uit de verlichting zelf bepaald niet werd beschouwd als een verwante geest.

4. Emile ou l’ éducation

5. Le contrat social

6. Fragment uit Le contrat social

terug