De val van de Bastille
Uit het verhoor van een horlogemaker J.B. Humbert

Uitgehongerd en slaapdronken verliet ik om zes uur ‘s morgens het district. In de loop van de ochtend vernam ik dat bij de Invalides wapens voor de districten werden geleverd; ik keerde onmiddellijk terug om dit te gaan melden aan de burgers van Saint-André-des-Arcs, die tegen halfeen ‘s middags bijeen waren gekomen. Commandant Poirier besefte wat dit bericht betekende en maakte zich op om zijn burgers erheen te leiden, maar doordat hij van alle kanten met vragen werd bestookt kon hij niet vertrekken. Aangezien het belang van dit alles mijns inziens in het niet viel bij de mogelijkheid de burgers van wapens te voorzien, greep ik de heer Poirier beet, en samen met een stuk of zes burgers sleepte ik hem min of meer mee. Tegen tweeën bereikten we de Invalides en we troffen daar een grote menigte, waarin we elkaar kwijtraakten. Ik weet niet wat er van de commandant en zijn mannen is geworden. Ik volgde de menigte naar de kelder waar de wapens lagen. Op de trap naar beneden kwam ik een man met twee geweren tegen; ik nam er een van hem over en draaide me weer om. In het trapgat verdrong zich nu echter zo'n grote mensenmassa dat eenieder die naar boven probeerde te gaan werd teruggedrongen en zich achterover op de keldervloer moest laten vallen. Bestorming van de Bastille, sterk geromantiseerd. Detail an een schilderij van Charles Thevenin, 1795 Ik hield wat kneuzingen over aan de val, maar was niet gewond. Aan mijn voeten lag een geweer, dat ik opraapte en direct aan iemand gaf die er zelf geen had. Ondanks die afschuwelijke valpartijen bleef de menigte zich een weg naar beneden banen. Niemand kon meer naar boven, waardoor het zo''n gedrang werd in de kelder dat alom de angstige kreten klonken van mensen die dreigden te stikken. Velen waren al buiten bewustzijn toen iemand opperde dat degenen in de kelder die een wapen hadden, de ongewapende menigte met een bajonet op de buik moesten dwingen rechtsomkeert te maken. Die raad werd opgevolgd, en toen de mensen een moment in paniek achteruitdeinsden, hadden wij de gelegenheid ons in een lijn op te stellen en de menigte de trap op te dringen. De menigte verdween naar boven en wij slaagden erin de mensen die in de verdrukking waren gekomen, naar een grasveld bij de koepel en de gracht te brengen. Nadat ik had meegeholpen deze mensen daar veilig heen te vervoeren, leek mijn aanwezigheid daar verder niet geboden en ben ik, gewapend met mijn geweer, vergeefs op zoek gegaan naar mijn commandant. Uiteindelijk ben ik teruggekeerd naar mijn district. Onderweg vernam ik dat er bij het Hotel de Ville kruit werd verstrekt. Ik begaf mij ernaar toe en ontving inderdaad ongeveer een kwart pond, maar geen kogels, omdat die er niet waren, zo werd me verteld. Bij het verlaten van het Hotel de Ville hoorde ik dat de Bastille werd belegerd. Ik betreurde het dat ik geen kogels had, maar dat bracht me op een idee dat ik direct ten uitvoer bracht: ik ging kleine spijkertjes kopen bij de kruidenier op de hoek van de rue du Roi, aan de place de Grève. Ik maakte daar mijn geweer in orde en smeerde het. Toen ik de kruidenier verliet en mijn geweer wilde laden, werd ik aangesproken door een burger, die me meldde dat er bij het Hotel de Ville kogels werden geleverd. Ik spoedde mij erheen en ontving zes grove hagelkorrels. Ik ging onmiddellijk verder naar de Bastille en laadde onderweg mijn geweer. Toen ik via de kaden de tweede binnenplaats van het Arsenaal had bereikt, sloot ik me daar aan bij een groep die juist naar het beleg wilde gaan. We kwamen vier soldaten van de wacht tegen, gewapend met hun geweren, en ik spoorde ze aan met ons mee te gaan; op hun antwoord dat ze kruit noch kogels hadden, droegen wij allemaal iets bij, zodat ze genoeg hadden voor twee schoten elk. Daarna waren ze graag bereid ons te volgen. Op het moment dat we het Hôtel de la Régie passeerden, waren daar juist twee kisten met kogels gekraakt, waarvan we zoveel konden krijgen als we maar wilden. Ik stopte een van mijn zakken vol, om uit te delen aan wie er maar nodig had. Ik heb er nog meer dan drie pond van over. Een paar passen daarvandaan hoorde ik een vrouw om hulp roepen. Ik ging direct naar haar toe en zij vertelde me dat het kruitmagazijn in brand werd gestoken. Ze voegde eraan toe dat dit onrechtvaardig was, aangezien het magazijn was geopend en aan de burgers was overgedragen zodra ze daarom hadden gevraagd. Ik liet me er door die vrouw naar toe brengen en trof een barbier met in elke hand een brandend stuk hout, waarmee hij inderdaad bezig was brand te stichten. Ik rende op de man af en gaf hem met de kolf van mijn geweer een ferme klap in zijn maag, zodat hij achteroverviel. Toen viel mijn oog op een kruitvat dat vlam had gevat, en ik zette het gauw op zijn kop om het te doven, wat ook lukte. Terwijl ik zo bezig was, kwamen twee dienstboden me smeken hen te helpen bij het verjagen van onverlaten die waren binnengedrongen en het archief hadden opengebroken. Ik volgde hen en verjoeg uit de woonvertrekken een aantal lieden dat reeds kasten had opengebroken, zogenaamd op zoek naar kruit. Overstelpt met dankbetuigingen verliet ik het huis, en nadat ik de wachtsoldaten had teruggevonden aan wie ik kruit had gegeven, kon ik een van hen overhalen voor de deur de wacht te houden. Daarna begaf ik me via de binnenhof van het Arsenaal spoorslags naar de Bastille. Het was ongeveer half vier: de eerste brug was neergelaten, de kettingen waren doorgehakt; de toegang was echter nog geblokkeerd door het valhek. Men was met man en macht bezig kanonnen naar binnen te slepen, die van hun onderstel waren gehaald. Ik ging de kleine brug over om van binnen uit te helpen de twee kanonstukken op hun plaats te krijgen. Nadat ze weer op hun affuit waren geplaatst, stelden we ons eendrachtig in vijf of zes rijen op. Ik stond in de eerste rij. In die slagorde marcheerden we naar de ophaalbrug van het fort. Aan weerszijden daarvan zag ik een gedode soldaat liggen: die aan de linkerkant, waar ik stond, droeg het uniform van de comte de Vintimille; het uniform van de soldaat rechts herkende ik niet. De kanonnen werden gericht: het bronzen exemplaar op de grote ophaalbrug en een kleiner ijzeren kanon, met zilver beslagen, op de kleine brug. Door de positie van dat kanon moest ik de gelederen verlaten, en aangezien men zich juist afvroeg of er op de toren nog geen tekenen van overgave werden gesignaleerd, ging ik op het voorplein kijken. Terwijl ik me van die taak kweet, werd besloten met geweren de aanval in te zetten, en ik spoedde me dan ook weer naar mijn post. Ik vond mijn weg echter versperd door een menigte, zodat ik ondanks het gevaar langs de borstwering moest terugkeren, waarbij ik me zelfs gedwongen zag op het lijk van de soldaat van Vintimille te stappen. Eenieder van ons loste ongeveer zes schoten. Daarop werd er door een ovaal gat van enkele duimen breed een stuk papier gestoken. We staakten het vuren, en een van ons verdween naar de keuken om een plank te halen. Om het briefje te kunnen aanpakken legden we deze plank op de borstwering. Een groot aantal mensen moest erop gaan staan om tegenwicht te bieden terwijl een van ons erover naar voren liep. Precies op het moment dat hij het briefje wilde pakken, werd hij door een geweerschot gedood en hij viel in de gracht. Een ander, die met een vlag liep, liet deze vallen, rende de plank op en pakte het papier, dat vervolgens luid en duidelijk werd voorgelezen. De inhoud van dit briefje, waarin om overgave werd verzocht, viel niet in goede aarde en we besloten het kanon af te vuren. Iedereen ging opzij om de kogel door te laten. Juist toen we het font wilden ontsteken, werd de kleine ophaalbrug neergelaten. Hij was nog niet naar beneden of hij stroomde al vol. Ik was er pas als tiende op. De poort achter de brug bleek gesloten, maar na een minuut of twee kwam een Invalide opendoen om te vragen wat we wilden. ‘De overgave van de Bastille!’ antwoordde ik met de anderen. Hij liet ons binnen. Ik bedacht me geen moment en riep dat ze de brug moesten neerlaten, wat ook gebeurde. Nu ging ik het grote binnenplein op (ongeveer als achtste of tiende). De Invalides stonden aan de rechterkant opgesteld, de Zwitserse gardisten links. We riepen: ‘Wapens neer!’ Allen gehoorzaamden, behalve een Zwitserse officier. Ik liep op hem af en dreigde met mijn bajonet om hem te dwingen, waarbij ik herhaalde: ‘Wapens neer.’ Hij wendde zich tot de aanwezigen en zei: ‘Heren, ik kan u verzekeren dat ik niet heb geschoten.’ Ik antwoordde: ‘Hoe durf je te beweren dat je niet hebt geschoten? Je mond is nog helemaal zwart van het afbijten van je kardoes.’ Met die woorden wierp ik me op zijn sabel, maar iemand anders deed hetzelfde, en terwijl ik met die ander om de sabel twistte, viel mijn blik op een trap aan mijn linkerhand. Daar zag ik drie burgers, die al een stuk of zes treden hadden beklommen, haastig weer naar beneden komen. Ik liet de sabel los en begaf me, gewapend met mijn geweer, dat ik niet had afgelegd, terstond naar de trap om de burgers te helpen, die naar ik meende werden teruggedreven. Ik rende de toren op, zonder te merken dat niemand me volgde. Op weg naar boven kwam ik al evenmin iemand tegen. Op de toren zag ik een Zwitserse soldaat met zijn rug naar me toe op zijn hurken zitten. Ik nam hem onder schot en riep: ‘Wapens neer!’ Verrast draaide hij zich om en hij legde zijn wapens op de grond met de woorden: ‘Dood me niet, kameraad, ik behoor tot de derde stand en ik zal u tot mijn laatste druppel bloed verdedigen. U weet dat ik gedwongen ben mijn dienstplicht te vervullen, maar ik heb niet geschoten.’ Tijdens zijn betoog raapte ik zijn geweer op en ik beval hem, met mijn bajonet op zijn buik, me zijn patroontas om mijn nek te hangen, wat hij deed. Vervolgens begaf ik me naar het kanon dat recht boven de ophaalbrug van de Bastille stond opgesteld, met de bedoeling het van zijn affuit te lichten, zodat het niet kon worden gebruikt. Maar toen ik hiertoe mijn rechterschouder onder de vuurmond had gezet, werd ik geraakt door een geweerkogel, die ergens vlakbij was afgevuurd en me door mijn jas en vest heen in de hals trof. Ik viel bewusteloos neer. De Zwitser wiens leven ik had gespaard, sleepte me naar de trap. Hij vertelde me later dat ik daarbij niet eens zijn geweer heb losgelaten. Het geweer dat ik van de Invalides had meegenomen, was ik echter wel verloren. Toen ik bijkwam, zat ik op de trap, samen met de Zwitser die me had gered. Om me bij te brengen en het bloed te stelpen dat uit mijn wond gutste, had hij een stuk van mijn hemd gesneden en me daarmee verbonden. Nu ik was uitgeschakeld, besloot ik naar beneden te gaan, en ik vroeg de Zwitser me te ondersteunen, wat hij van harte deed. Halverwege de trap kwamen we gepantserde en ongepantserde burgers tegen, die naar boven gingen. Toen ze mij zo onder het bloed zagen, dachten ze dat de Zwitser me had verwond en wilden ze hem doden. Ik weerhield hen daarvan en vertelde hun de ware toedracht. Gelukkig geloofden ze me op mijn woord, waarop ik, door hem ondersteund, de trap verder afdaalde. Samen bereikten we het binnenplein, maar aangezien men de Zwitser niet wilde laten gaan, moest ik het strijdtoneel op eigen kracht verlaten. Er werd ruim baan voor me gemaakt, omdat men zag dat ik bloedde en gewond was.


terug