Het falen van een commandant (verslag van Von Flue; 14 juli)

Ik bevond mij met mijn manschappen in de binnenhof van het kasteel, tegenover de hoofdingang, waar ik de drie tweeponders had opgesteld die door twaalf soldaten werden bediend, om de ingang te beschermen voor geval de hoofdingang zou worden geforceerd. Ten einde de plannen om de hoofdingang te forceren te bemoeilijken liet ik in de opgetrokken valbrug twee gaten hakken, waarin ik twee van mijn stukken geschut wilde plaatsen om de brug daarmee te bestrijken. Ik kon met deze stukken echter niet dichtbij genoeg komen om ze met succes te kunnen gebruiken. Daarom liet ik in deze gaten twee stukken licht geschut plaatsen en deze met schroot laden. Daarvan kon men echter weinig gebruik maken, aangezien de vijanden zich achter de muren van de voorhoven hadden teruggetrokken, vanwaar zij door de schietgaten op ons vuurden. Ondertussen hadden zij een wagen met brandend stro bij de toegang tot de brug geplaatst en het huis van de gouverneur, dat zich op de hof bevond, in brand gestoken. Dit verhinderde ons de vijand nog voldoende in de gaten te houden. Zij hadden vijf achtponders en een mortier aangesleept, die zij niet ver daarvandaan in stelling hadden gebracht vanwaar zij onze torens beschoten, waar met onze kanonnen op hen werd gevuurd. Op deze wijze werd het gevecht drie uur voortgezet. De belegeraars hadden, zoals wij achteraf hoorden, 160 doden en gewonden. Toen de vijanden zagen dat hun geschut machteloos afketste op de muren, maakten zij aanstalten om de poorten in te rammen en brachten de stukken geschut op de brug die naar de hoofdingang voerde. Zodra de heer Launay deze voorbereidingen vanaf de torens zag, leek hij helemaal zijn bezinning te hebben verloren. Zonder dat hij iemand van de staf of het garnizoen raadpleegde, liet hij door een tamboer het teken tot de overgave geven. Ik hield toen op met vuren, ging op zoek naar de heer Launay en zag dat deze bezig was een briefje te schrijven, waarin hij de belegeraars meldde dat hij 200.000 pond kruit in de vesting had liggen en dat, als zij de capitulatie niet accepteerden, hij de vesting met garnizoen en omgeving en al in de lucht zou laten vliegen. Ik protesteerde bij hem en zei dat wij daar nog helemaal niet toe gedwongen waren, dat we nog geen schade hadden geleden en dat de poorten nog onbeschadigd waren. Wij waren dus zeker nog niet genoodzaakt om ons over te geven. Maar hij was niet meer in staat om nog te luisteren en gaf mij het papier met de opdracht het aan de vijand te bezorgen. Ik stak het papier door een van de gaten die ik tevoren in de valbrug had laten hakken. Maar dit bleef zonder uitwerking. Men wilde niets weten van een capitulatie. Een algemeen geschreeuw dat men de poorten moest openen en de valbrug neerlaten, was het enige antwoord. Ik meldde de gouverneur wat er was gebeurd. .. en wachtte het ogenblik af dat de heer Launay zijn dreigement zou waarmaken. Maar tot mijn verbazing zag ik even later vier invaliden naar de hoofdingang gaan, deze openen en de valbrug neerlaten. In een oogwenk was de hele vesting met volk overstroomd dat zich van ons meester maakte en ons ontwapende. Wij moesten vrezen op honderd manieren te worden vermoord. Men plunderde en vernielde het hele kasteel. Wij verloren alles wat wij bij ons hadden.

Uit: Jansen Perio, E.M., Vrijheid, gelijkheid en de broederschap van Kan en Abel. Getuigenissen en documenten over de Franse Revolutie. Baarn, 1989, p.64-65


terug