Postmeester Drouet aan het woord
Ik ben postmeester in Sainte-Menehould en een oud-dragonder in het regiment
van Condé; mijn kameraad Guillaume is een oud-dragonder in het regiment van de
koningin (applaus). De 21ste juni kwamen om half acht ’s avonds twee rijtuigen
met elf paarden aan bij de post van Sainte-Menehould. Ik meende de koningin te
herkennen en toen ik links achterin de wagen een man waarnam, werd ik getroffen
door de overeenkomst van zijn gezicht met de afbeelding op een assignaat van
50 pond (applaus). De rijtuigen werden geëscorteerd door een detachement
dragonders, dat op een detachement huzaren volgde, onder het voorwendsel dat men
een schat bewaakte; dit escorte sterkte me in mijn verdenkingen, vooral toen ik
de commandant van dit detachement op een geanimeerde wijze met een van de
koeriers zag praten.
Maar omdat ik alleen was en geen vals alarm wilde slaan, liet ik de rijtuigen
gaan; maar toen ik onmiddellijk daarop de dragonders zich in beweging zag zetten
om hen te volgen en bovendien zag dat ze de weg naar Varennes insloegen nadat ze
paarden hadden gevraagd voor Verdun, nam ik een route om hun de pas af te
snijden. Zo kwam ik eerder in Varennes aan, om elf uur ’s avonds; het was
pikdonker, iedereen lag te slapen. De rijtuigen werden in een straat opgehouden
door een meningsverschil tussen de postiljons en de postmeester van de plaats.
Deze wilde dat men de paarden rust zou gunnen en verversen, zoals dat
gebruikelijk was. De koning wilde daarentegen zo gauw mogelijk vertrekken.
Daarop zei ik tegen mijn kameraad: Ben jij een goede patriot? Twijfel daar maar
niet aan! Welnu, antwoordde ik, de koning is in Varennes; men moet hem
tegenhouden. Toen stegen wij af en bedachten dat, om ons plan te laten slagen,
het nodig was de straat te barricaderen en de brug waar de koning overheen moest
(applaus).
Daarop posteerden wij ons, ik en mijn kameraad, bij de brug
van Varennes; gelukkig was er vlakbij een wagen volgeladen met meubels, die we
meenamen en omverwierpen, zodat er geen voorbijkomen meer mogelijk was
(applaus). Daarop gingen we op zoek naar de gemeentesecretaris, de burgemeester,
de commandant van de nationale garde, en binnen een kwartier waren wij ten
getale van acht mannen van goeden wille bijeen. De commandant en de secretaris
gingen naar het rijtuig en vroegen de reizigers wie zij waren en waar zij heen
gingen. De koningin antwoordde dat men grote haast had. Men drong erop aan dat
men zijn paspoort liet zien; ten slotte gaf zij haar paspoort aan twee
gardes-d'honneur die uitstapten en de herberg binnengingen. Het paspoort droeg
de naam van de baronesse de Korff, enzovoort. Enige mensen die het voorlezen van
het paspoort aanhoorden, zeiden dat dit wel kon volstaan. Maar wij bestreden
dit, omdat het paspoort alleen door de koning was getekend en het ook door de
president van de nationale vergadering moest zijn ondertekend. Als u een
vreemdelinge bent, zeiden we tegen de koningin, waarom hebt u dan zoveel invloed
dat u een detachement tegelijk met u kunt laten vertrekken? Na deze overwegingen
en door onze hardnekkigheid besloot men dat de reizigers pas de volgende dag
zouden vertrekken. Zij namen hun intrek in het huis van de gemeentesecretaris.
Uit zichzelf zei de koning toen tegen ons: Ik ben de koning en dit zijn mijn
echtgenote en mijn kinderen; wij bezweren u om ons met alle égards te
behandelen die de Fransen altijd voor hun koningen hebben gehad. Daarop liepen
de nationale gardisten te hoop en tegelijk zag men de huzaren met de sabel in de
hand aankomen, zij probeerden bij het huis te komen waarin de koning zich
bevond; maar wij riepen hun toe dat men, als ze hen aan ons wilden ontroven, hen
alleen maar dood uit onze handen zou krijgen. .. De commandant van de nationale
garde was bovendien zo bij de hand om twee stukken geschut te laten komen die
hij aan een kant boven aan de straat liet opstellen en nog twee aan de andere
kant, zodat de huzaren zich tussen twee vuren bevonden.