Voorstellen voor een nieuw wetboek van strafrecht door dr. Guillotin

Dr. Guillotin deed de volgende voorstellen in de Nationale Vergadering voor de vernieuwing van het wetboek van strafrecht in mei 1791.

I Op misdaden van gelijke aard dienen straffen van gelijke aard te staan, ongeacht de status van de misdadiger.

II In alle gevallen van de doodstraf (ongeacht de misdaad) dient deze van gelijke aard te zijn - dat wil zeggen onthoofding - en dient deze te worden uitgevoerd met behulp van een machine.

III Aangezien de misdaad een persoonlijke kwestie is, dient de bestraffing van een misdadiger (ongeacht de aard ervan) geen schande voor zijn familie te brengen.

IV het is niet toegestaan een burger iets te verwijten vanwege de straf voor een van zijn verwanten. De rechter dient iedereen te berispen die dat waagt te doen: deze berisp9ing dient op de deur van de overtreder te worden aangebracht, en dient bovendien drie maanden lang aan de schandpaal te worden bevestigd.

V Het eigendom van een veroordeelde mag nooit of te nimmer worden geconfisqueerd.

VI Het lichaam van een terechtgestelde misdadiger dient ter beschikking van de familie te worden gesteld als zij dat wenst. In elk geval dient het lichaam op de gebruikelijke wijze te worden begraven, en in het archief dien geen melding te worden gemaakt van de aard van de dood.

uit: Ruth Scurr, Fatale zuiverheid. Robespierre en de Franse Revolutie.Amsterdam, 2006. p. 163

 


Laatst bijgewerkt: 20 maart 2008