Friedrich Engels (1820 - 1895), De toestand van de arbeidersklasse in Engeland, 1845

Zestig, tachtig jaar geleden, was Engeland een land zoals alle andere, met kleine steden, weinig en eenvoudige industrieŽn, en een dun gezaaide maar verhoudingsgewijs grote boerenbevolking. Tegenwoordig is het een land dat uniek is, met een hoofdstad  met tweeŽnhalf miljoen inwoners; met enorme fabriekssteden; met een industrie die de wereld bevoorraadt en bijna alles produceert met behulp van de meest complexe machinerie; met een vlijtige, intelligente, dicht opeengepakte bevolking, waarvan tweederde werkzaam is in de handel en commercie...

En over de textielindustrie schreef hij:

De hoofdzetel van deze industrie is Lancashire, waar zij ook ontstond. Zij heeft dit graafschap door en door gerevolutioneerd, van een duister en slecht gecultiveerd moeras tot een levendige nijvere streek gemaakt, de bevolking in tachtig jaar vertienvoudigd en reuzensteden als Liverpool en Manchester samen 700.000 inwoners en hun nabuursteden Bolton (60.000 inw.), Rochdale (75.000 inw.), Oldham (50.000 inw.), Preston (60.000 inw.), Ashton en Stalybridge (40.000 inw.) en een hele massa andere fabriekssteden als bij toverslag uit de bodem doen verrijzen. De geschiedenis van Zuid-Lancashire kent de grootste wonderen van de nieuwe tijd en toch spreekt geen mens ervan; al deze wonderen heeft de katoenindustire teweeggebracht.

uit: Stewart Ross, De IndustriŽle Revolutie, p.7



Laatst bijgewerkt: 04 januari 2010