Over de gebeurtenissen in het Midden-Oosten aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. Vooral in de laatste oorlogsjaren is de rol van de Arabieren aanzienlijk. Het grootste succes was de vernieling van de spoorlijn Damascus-Medina. Op 19 september 1918 volgt de beslissende slag, waarbij de Turken verslagen werden. Op 2 oktober viel Damascus, waarmee Turkije definitief verloren staat. De daarop volgende vredesbesprekingen hebben een zeer moeizaam verloop, mede door de publikatie van de Sykes-Picot overeenkomst in november 1918.
Deze overeenkomst dateerde al uit 1916 - nog ruim voordat de Turken verslagen waren - tussen Frankrijk en Engeland en hield een verdeling van het Midden-Oosten in waarbij Frankrijk het bestuur over Libanon, en Syrië zou gaan uitoefenen en Gr.-Brittannië Palestina, Irak, en Jordanië onder zijn hoed zou nemen. Egypte bleef dan onafhankelijk en Saudi-Arabië moest een onafhankelijk koninkrijk worden. De publicatie van deze overeenkomst door de bolsjewieken, die een afschrift in de archieven van de tsaar hadden gevonden, gooide danig roet in het eten.
Intussen heeft zich een interarabische tegenstelling ontwikkeld tussen enerzijds Hoessein, de leider van de Hejaz en strijdmakker van Lawrence of Arabia en anderzijds de zelfstandig opererende Ibn Saoed (1880-1953). De laatste speelt een vooraanstaande rol in het ontwaakte arabisch nationalisme.