Wat de Amerikanen naar Beiroet dreef. Verklaring van Eisenhower na de landing van US Mariniers in Libanon op 15 juli 1958Gisteren hebben zich in het Midden-Oosten ernstige ontwikkelingen voorgedaan. In Irak heeft een perfect georganiseerde militaire coup het grondwettelijke bewind omvergeworpen en getracht te doen vervangen door een comité van legerofficieren. De aanval werd op onmenselijke wijze uitgevoerd. Vele leidende figuren werden doodgeslagen of opgehangen en hun lichamen werden over straat gesleurd. Ongeveer terzelfder tijd werd een goed georganiseerd komplot ontdekt voor het omverwerpen van de wettige regering van Jordanië. Gewaarschuwd en gealarmeerd door deze ontwikkelingen heeft president Chamoun van Libanon een dringend beroep op mij gedaan enkele militaire eenheden van de Verenigde Staten in Libanon te stationeren om daarmee uitdrukking te geven aan onze betrokkenheid bij de onafhankelijkheid van Libanon, dit kleine land dat al twee maanden het toneel is van een burgeroorlog. Deze werd metterdaad aangestookt door radiouitzendingen vanuit de Sowjetunie en Cairo en aangewakkerd en gesteund door aanzienlijke hoeveelheden wapens, geld en mankracht, die via de Syrische grens Libanon binnenkwamen. President Chamoun verklaarde dat zonder onmiddellijke hulp van de Verenigde Staten de regering van Libanon niet in staat zou zijn het hoofd te bieden aan de krachten die in dit gebied waren ontketend. [...] Na mij ernstig over dit beroep te hebben beraden en na advies te hebben ingewonnen, zowel van de leiders van de uitvoerende als van de wetgevende regeringsinstanties, besloot ik het verzoek van de regering van Libanon in te willigen. Kort geleden is een bataljon Amerikaanse mariniers aan land gegaan en heeft stellingen betrokken in en bij de stad Beiroet. Deze strijdkrachten hebben tot taak Amerikaanse levens te beschermen - er zijn ongeveer 2500 Amerikanen in Libanon - en door hun aanwezigheid de regering in Libanon bij te staan bij het handhaven van haar territoriale integriteit en politieke onafhankelijkheid. [...] Ik ben mij er wel van bewust dat de landing van Amerikaanse troepen in Libanon enige ernstige consequenties zou kunnen hebben. Daarom is deze stap eerst gezet na zeer aandachtige overweging en uitvoerige consultaties. Ik ben echter tot de nuchtere en duidelijke conclusie gekomen dat de ondernomen actie noodzakelijk was voor het welzijn van de Verenigde Staten. Zij werd vereist ter ondersteuning van de beginselen van het internationale recht, waarvan de vrede en een stabiele internationale samenleving afhangen. Dit, en dit alleen, is het oogmerk van de Verenigde Staten. Wij worden niet gedreven door enigerlei hoop op materieel gewin of door enigerlei gevoel van vijandigheid jegens personen of regeringen. [...] In de jaren dertig hebben de leden van de Volkenbond zich onverschillig betoond ten aanzien van rechtstreekse of indirecte agressie in Europa, Azië en Afrika. Het gevolg is geweest dat de agressieve krachten werden versterkt en aangemoedigd, waardoor de Tweede Wereldoorlog onvermijdelijk werd. De Verenigde Staten zijn vastbesloten te voorkomen dat deze geschiedenis zich zal herhalen. Wij hopen dat de thans ondernomen actie zowel de onafhankelijkheid van Libanon zal verzekeren als internationale daden van geweld zal beteugelen, daden die de wereldvrede in gevaar zouden brengen, als zij mochten slagen. Wij hopen dat dit resultaat spoedig zal worden bereikt en dat onze strijdkrachten snel kunnen worden teruggetrokken. Wij moeten er echter op voorbereid zijn de situatie het hoofd te bieden, ongeacht de consequenties. Wij kunnen dat doen in het vertrouwen dat wij streven naar een wereld waarin alle landen, of ze nu groot of klein zijn, hun zelfstandigheid kunnen bewaren. Wij strijden voor een ideaal dat elke Amerikaan zeer na aan het hart ligt en waarvoor in het verleden vele Amerikanen hun leven hebben geofferd. Het dienen van deze idealen betekent ook het dienen van de zaak van de vrede, van de veiligheid en het welzijn, niet alleen voor ons, maar voor alle mensen, waar ook ter wereld. uit: Manning, (e.a.), Onze jaren. p. 1452
|
|