1. De volgende beginselen zijn van toepassing op de koloniën en gebieden die,
tengevolge van de oorlog, niet langer onderworpen zijn aan de soevereiniteit van de
staten, die ze tot dusver bestuurden, en die bewoond worden door volken, welke nog niet op
zichzelf kunnen staan onder de zeer moeilijke omstandigheden van de moderne wereld.
Het welzijn en de ontwikkeling van deze volken vormen een heilige taak der beschaving
en dit Verdrag behoort waarborgen op te nemen voor de vervulling van die taak.
2. Het beste middel om dit beginsel praktisch te verwezenlijken is de voogdij over deze
volken toe te vertrouwen aan de ontwikkelde naties welke uit hoofde van haar hulpbronnen,
haar ondervinding of haar aardrijkskundige ligging, het best in staat zijn, deze
aansprakelijkheid op zich te nemen, en welke bereid zin, die te aanvaarden; zij zullen
deze voogdij uitoefenen als mandatarissen in opdracht van de Volkenbond en in naam van de
Bond.
3. Het karakter van het mandaat moet verschillen naarmate van de graad van ontwikkeling
van het volk, de geografische ligging van het gebied, de economische toestand daarvan en
andere overeenkomstige omstandigheden.
4. Enige gemeenschappen, vroeger behorende tot het Ottomaanse rijk, hebben een zodanige
graad van ontwikkeling bereikt, dat haar bestaan als onafhankelijke naties voorlopig kan
worden erkend, op voorwaarde, dat zich bij het bestuur laten leiden door de raad en de
hulp van een mandataris, tot het ogenblik gekomen is, dat zij in staat zullen zijn, op
zich zelf te staan. Bij de keus van de mandataris zullen de wensen van deze gemeenschappen
in de eerste plaats in aanmerking moeten worden genomen.