De Wet op de Terugkeer, 6 juli 1950

1. Ieder Jood heeft het recht zich in Israël te vestigen.

2. a. Die vestiging volgt op grond van een immigratievergunning.

b. Een immigratievergunning wordt aan elke Jood gegeven, die zich in Israël wenst te vestigen, behalve wanneer de Minister voor Immigratie gewaar wordt dat de aanvrager:

1. tegen het Joodse volk handelt of

2. de openbare gezondheid of staatsveiligheid in gevaar brengt.

3. a. Een jood, die naar Israël komt en na zijn aankomst zich hier wenst te vestigen, heeft in Israël recht op een immigratiebewijs.

b. De beperkingen onder paragraaf 2.b. zijn ook van toepassing op de uitreiking van een immigratie bewijs. Daarentegen wordt een persoon, die na zijn vestiging in Israël ziek is geworden, niet beschouwd als iemand die de openbare gezondheid in gevaar brengt.

4. Iedere Jood, die voor het van kracht worden van deze wet is geïmmigreerd en elke Jood, die in het land voor of na het van kracht worden van deze wet geboren werd, wordt beschouwd als iemand die overeenkomstig de bepalingen van deze wet geïmmigreerd is.

5. De Minister voor Immigratie is belast met de uitvoering van deze wet. Hij heeft de bevoegdheid om in samenhang met haar toepassing uitvoeringsbepalingen uit te vaardigen. Evenzo heeft hij de bevoegdheid immigratietoestemming en immigratiebewijs voor minderjarigen tot 18 jaar af te geven.

David Ben Goerion Mosche Schapira

Minister-President Minister voor Immigratie

Josef Sprinzak

President van de Knesset

Plaatsvervangend President van de staat.


 

 
terug