Granvelle, 1517-1586

De leider van de ConsultŠ was Antoine Perrenot de Granvelle, jurist en theoloog, op 21-jarige leeftijd bisschop van Atrecht geworden. Hij behoorde tot de door de leden der oude dynastieŽn als Egmond, Lalaing en Croy verachte Bourgondische parvenu-adel: zijn overgrootvader was een Bourgondische dorpssmid geweest, zijn grootvader notaris geworden, zijn vader door Karel V met de heerlijkheid Granvelle begiftigd en in de adelstand verheven. Conform die afkomst voelde de bisschop, bij de oprichting der nieuwe bisdommen tot kardinaal verheven (februari 1561), zich de geroepen voortzetter der Bourgondische politiek. Hij was een prelaat van mondaine, zeer onpriesterlijke levenswandel, hoogmoedig en prachtlievend, een humanist vol belangstelling voor wetenschap en kunst. Als staatsman was hij een model-machiavellist, maar de pamflettisten, die hem in de jaren 1562-1564 plachten uit te maken voor 'rode draak'. 'pauselijk uitvaagsel' en 'Spaans zwijn', waren huurlingen van zijn felste tegenstanders: de door zijn politiek meer en meer klein-gemaakte lagere instanties in staat en kerk en de machtige Vliesridders-factie, voor wie hij, sinds zijn kardinalaat hem voorrang boven allen (behalve de landvoogdes) gaf, een dagelijkse ergernis was.

Geen wonder dat de woede der Edelen grenzeloos toenam, als zo'n beroepsambtenaar zelfs boven hen werd gesteld, zoals dat met Granvelle het geval was: in hem hebben zij niet eens zo zeer de vreemdeling of de reactionnaire clericaal, als wel de parvenu gehaat, die hun boven het hoofd was gegroeid:

Zijn purperen hoed, zijn scharlaken mantel schroeiden hen (de Edelen) erger dan een vlam. Want door die stralende tooi, die aan de koninklijke majesteit herinnerde, werden reeds van ver de kentekenen der ridders van het Gulden Vlies overschaduwd.

Granvelle had daarbij zeer goed in de gaten dat de leden van de Liga slechts hun adelsheerschappij wilden handhaven in een verburgerlijkt land als Nederland. Vandaar dat hij Viglius (de belangrijkste politieke figuur na Granvelle) aanraadde met de vertegenwoordigers van de burgerij, met de pensionarissen van de steden een verbond aan te gaan om de machtswellust van de edelen in te perken, want de steden wensen geen provinciedespoten. Richelieu en Mazarin deden dit inderdaad zeer succesvol, maar Viglius en Granvelle zijn nog te veel ideologisch behept met het strijdbare katholieke geloof om een dergelijk verbond succesvol te maken.

Uit: Rogier, L., Eenheid en scheiding. Geschiedenis der Nederlanden 1477-1813. Utrecht/Antwerpen, 1952, 1980; Kuttner, E., Het hongerjaar 1566. Amsterdam, 1949, 1979, p


terug