
Gravure van Frans Hoogenberg, 1583
Mevrouw,
De edelen in deze stad verzameld, en anderen van gelijke rang in aanzienlijk aantal die om zekere redenen hier niet aanwezig waren, hebben besloten in het belang van de dienst des konings en het openbaar welzijn van zijn Nederlanden aan Uwe Hoogheid in alle nederigheid aan te bieden dit smeekschrift, [ ...]
Wij zijn verder, Mevrouw, op de hoogte gesteld, dat wij bij Uwe Hoogheid en de Heren van de Raad en bij andere Heren beschuldigd zijn, dat deze onze beraadslaging voornamelijk heeft plaats gehad om onrust, oproer en opstand uit te lokken, en , wat het meest ergerlijke is, dat men ons heeft beschuldigd van vorst te willen veranderen door het sluiten van verbonden en door samenzweringen met vreemde vorsten en legeraanvoerders, zowel Fransen, Duitsers als anderen, wat geheel in strijd is met onze trouw en met wat Uwe Hoogheid in dit smeekschrift zal vinden. Wij smeken niettemin Uwe Hoogheid ons hen te noemen en aan te wijzen, die op een zo edel en eerbiedwaardig gezelschap zo onrechtvaardig een smet hebben geworpen. [...]