A W.J.F. Nuyens, Geschiedenis der Nederlandsche Beroerten in de XVI eeuw, (1866)

"Jonker Adriaan van Zwieten, die in innige verstandhouding met Oranje stond en van dezen een lastbrief had, maakte zich van het stadje Oudewater meester. Twee dagen later nam hij Gouda in, dat veel belangrijker was, én om de meerdere macht en het meerdere aanzien der stad, én omdat daar de charters van Holland op het kasteel werden bewaard. In den vroegen morgen openden eenige van 's prinsen aanhangers hem de poorten der stad. [...] De geestverwanten hadden reeds kondschap (bericht) van zijne onderneming ontvangen door de verbloemde tijding, dat er een groot heer uit Zweden was aangekomen, om hen van den tienden penning te verlossen. 'De groote menigte viel hem toe. De koningsgezinde burgemeester nam verschrikt de vlucht. Van Zwieten riep nu de vroedschap samen en liet deze met de gezamenlijke burgerij den eed afleggen aan den koning en den prins van Oranje als zijn stadhouder. De slotvoogd (Gouda had in de stad een kasteel) Cornelis van der Mijle, zond vruchteloos een bode naar Utrecht, om bijstand te zenden. Hierop werd hij genoodzaakt het slot aan de opstandelingen over te geven. Bij gelegenheid van de inname van Gouda viel er eene gebeurtenis voor, die de meeste geschiedschrijvers der Nederlandsche beroerten, en te recht, hebben opgetekend.

Zekere burgemeester nam in die dwarling (onrust, chaos) verschrikt de vlucht in het huis eener weduwe, om zijn lijf te bergen. Zij sloot hem in eene spinde (een kast waar het eten in bewaard werd). Hij vroeg of hij daar wel veilig was. 'Gewislijk' antwoordde zij, 'haar man had er menigmaal geschuild als hij van hem (de burgemeester) en anderen gezocht werd en de burgvoogd daarvoor stond. 'Een edele daad, die gewis met onvergankelijker letteren dan in het boek der geschiedenis is opgeschreven, in het boek des levens!"

terug