Hun doel was niet alleen de beelden, maar ook de mensen te beschadigen en de
kerkdiensten te verstoren. Men zag dat ze zeer wreed optraden en als beesten leefden,
zonder zich aan iets of iemand te storen. Ze roofden onze bezittingen. Ze hebben ons
klooster leeg geplunderd. Daar is niets overgelaten; potten, pannen, ketels, ijzeren,
koperen en tinnen voorwerpen alles is weg. Het linnen, de bedden en al het andere huisraad
is verdwenen.
[...]
Men hoorde ook morren over de tirannie van de hertog Alva; van hem werd gezegd dat hij
deze landen onderdrukt had. Doch deze ontevredenheid zal tot rebellie tegen de koning
leiden; en men let niet op de narigheid die het gevolg zal zijn van de rebellie of op dat
waar men nu al mee geplaagd wordt. Uit deze zware en zeer dreigende onlusten trek ik,
lieve Heer, geen andere conclusie, dan dat U ons Uw grote daden zult laten zien...als U
ziet dat wij gelouterd en U trouw gebleven zijn.