Een regeringsfunctionaris verhaalt in midden juli 1566

De onbeschaamdheid van de calvinistische predikers in dit gebied [is] zo verregaand, dat zij het volk erop menen te moeten wijzen dat het niet voldoende is alle drogbeelden uit hun ziel te verwijderen, maar dat zij ze ook uit hun gezichtsveld moeten halen. Het lijkt erop dat zij stapje voor stapje hun gehoor steeds meer willen overtuigen van de noodzaak tot het plunderen van de kerken en het vernietigen van alle beelden.

Uit: Parker, G., De Nederlandse Opstand. Van Beeldenstorm tot bestand. Utrecht/Antwerpen, 1981, p. 67


terug