'De inwoners [van Den Briel] verwonderden zich over zon goot aantal koopvaarders. Een veerman, Jan Pieterszoon Koppelstok, dacht dat het de Watergeuzen konden zijn en roeide naar de vloot toe. De Watergeuzen vroegen hem een boodschap aan de stad over te brengen. Koppelstok neemt de opdracht aan. Hij gaat aan land en deelt in het stadhuis mee dat de Watergeuzen met twee gevolmachtigden van het stadsbestuur willen spreken en dat zij zijn gekomen om hen van de Tiende Penning te verlossen en tegen de dwingelandij van Alva en de Spanjaarden te beschermen. Men vroeg Koppelstok of zij sterk waren. Zonder veel nadenken zei hij: 'Wel vijfduizend man' [het waren er vermoedelijk zo'n 1100]. Dit deed ieder schrikken. Met moeite worden twee man bereid gevonden als gevolmachtigden near de Watergeuzen te gaan. Die eisen de stad op en geven twee uur bedenktijd. Het deel van de bevolking dat iets te verliezen had, vluchtte bepakt en bezakt op wagens en paarden de stad uit. De Watergeuzen waren intussen geland en naar de stad getrokken. Zij vroegen aan de mensen die vanaf de stadsmuren toekeken of de stadspoort zou worden geopend of dat zij het zelf moesten doen. Het stadsbestuur aarzelt en denkt er over om ook te vluchten. Daarop vallen de Watergeuzen in twee groepen de stad aan.'
